Vergersweg 22- 24, 6707 HT Wageningen T: 0317- 416090

De 19e eeuw

- armoede en werkloosheid

Op zondag 18 januari 1795 steekt Stadhouder Willem V met zijn gezin de Noordzee over om zijn heil in Engeland te zoeken. Hij wijkt uit voor de Franse troepen die met steun van het Bataafse Legioen de Republiek bezetten. Nederland is weliswaar een republiek, maar de feitelijke machthebber is een erfelijk potentaat uit het huis van Oranje-Nassau, die traditioneel de titel van ‘stadhouder ‘draagt. Met een aantal staatsgrepen, de laatste nog in 1787, hebben de stadhouders hun macht stap voor stap uitgebouwd, zodat de Willemen IV en V vrijwel het gezag van een monarch hebben. In de jaren tachtig van de 18e eeuw wordt, mede door het economische verval, aan die macht geknaagd. De patriotten, een verbond van achtergebleven en ontevreden groepen, maken het de ‘monarch’ zo moeilijk dat deze de hulp vraagt van zijn zwager Frederik Willem II van Pruisen. De Pruisische vorst is welwillend genoeg om troepen te sturen. De macht van stadhouder Willem V wordt daarmee – althans voorlopig – hersteld. De laatste zeven jaren van de Republiek zijn de jaren van gespannen rust van een politiestaat. De Patriotten verwelkomen de Fransen als bevrijders en roepen de bevolking op zich de vriendschap van het Franse heldenvolk waardig te tonen. Rond de in tal van plaatsen geplante vrijheidsboom wordt gefeest met zang en dans. De patriottische sympathiebetuiging is het begin van de Franse tijd. Een periode die zich kenmerkt door verslechtering van de toch al niet rooskleurige economie. Er ontstaat een enorme werkloosheid en een ontstellende armoede die een schaduw werpt over de met zoveel enthousiasme geplante vrijheidsboom. Aanvankelijk is er nog sprake van een zekere onafhankelijkheid door het stichten van de Bataafse Republiek die onder leiding staat van de patriotten. Met Frankrijk wordt een verdrag gesloten waardoor de Republiek een bondgenoot wordt van Frankrijk in de oorlog met o.a. Engeland. De Engelsen beantwoorden dit met het blokkeren van de Nederlandse kust en de havens. De Bataafse Republiek neemt de verplichting op zich 25.000 man Franse militairen te huisvesten en te voeden. Voor de kosten van de ‘bevrijding’ moet honderd miljoen worden betaald. Het land wordt hierdoor zowel letterlijk als figuurlijk leeggegeten. Door de kustblokkade worden de verbindingen met de gebieden overzee afgesloten en komen de Nederlandse havens nagenoeg stil te liggen. Het gevolg voor handel en nijverheid laat zich raden. De werkloosheid groeit almaar en steeds meer mensen uit de lagere bevolkingsgroepen zijn aangewezen op liefdadigheid. In de winter van 1798-1799 telt bijvoorbeeld Amsterdam 80.000 behoeftige op een totaal van 200.000 inwoners. Zes jaar later is zelfs de helft van de Amsterdamse bevolking bedeeld. Met nog meer geestdrift dan bij hun komst wordt het vertrek – in 1813 – van de Fransen gevierd. Enkele dagen na zijn terugkeer – 30 november 1813 – wordt erfprins Willem Frederik de eerste koning van het Koninkrijk der Nederlanden. Opmerkelijk is de tegengestelde gang van zaken. Worden veel Europese landen van monarchie een republiek; Nederland wordt van republiek een monarchie.

- revolutie op z’n Wagenings

De revolutie van 1795 gaat niet helemaal onopgemerkt aan Wageningen voorbij. De stad is prinsgezind en de patriottische onlusten van 1786 en 1787 passeren Wageningen geruisloos en ook in 1795 is er geen merkbare patriottische aanhang. Onder de burgerij zijn geen uitgesproken revolutionaire elementen. Een Comité Revolutionair bestaat aanvankelijk niet en evenmin een zogenaamde Vaderlandsche Sociëteit. Deze instellingen, elders de ‘broedplaatsen’ van het patriottisme, worden eerst later in Wageningen opgericht. De Franse troepen trekken op de middag van 16 januari 1795 bij Lexkesveer de Rijn over. Het gemeentebestuur, van de komst van de Franse troepen goed geïnformeerd, laat zich door uitgezette suppoosten op de hoogte houden van de vordering van het Franse leger. Een comité van ontvangst gaat de Fransen tegemoet om ze mee te delen dat het gemeentebestuur genegen is hen te ontvangen op het gemeentehuis. De stad geeft zich zonder slag of stoot over en de Franse commandant laat weten als vriend en niet als vijand te zijn gekomen. De schijn dat alles in pais en vree bij het oude kan blijven, wordt vrijwel onmiddellijk verstoord door de Franse generaal met de afkondiging dat het Franse muntstelsel wordt ingevoerd en passant vordert hij ook alle beschikbare kaarten op van de provincies Gelderland, Utrecht en Holland om zijn zegetocht goed voorbereid voort te kunnen zetten. Voor alle zekerheid worden ook de voorraden levensmiddelen bij de neringdoenden in de gemeente opgenomen. De generaal reorganiseert de gemeentelijke organisatie in vijf departementen. Eerst nadat de Fransen de stad hebben bezet komt in Wageningen de revolutie opgang. Een vijftiental burgers, zelf noemen ze zich ‘het beste gedeelte der burgerij’, besluiten, naar voorbeeld van Arnhem, een Comité Revolutionair in te stellen. Een strategie om de omwenteling van de macht te bewerkstelligen wordt afgesproken. Op 31 januari wordt achtereenvolgens: medewerking gevraagd aan de Franse commandant en de burgerij bijeengeroepen in de kerk om de wisseling van de macht af te kondigen. Als dat achter de rug is wordt het te hoop gelopen volk vanuit de raadszaal toegesproken door een venster.1
Erg revolutionair klinkt het allemaal niet en in het Comité Revolutionair worden zelfs een aantal lieden opgenomen uit het oude gemeentebestuur. Een Vaderlandsche Sociëteit, ten behoeve van alle "ware vaderlanders" ziet eerst het licht op 13 april, met als zinspreuk:

"Steeds vrij, gelijk, vereend te leven,
Is ‘t grote doel daar wij naar streven."

De zachte omwenteling ten spijt, het overgrote deel van de bevolking is niet ingenomen met de nieuwe omstandigheden. Het blijft aanvankelijk beperkt tot minachting van het nieuwe gemeentebestuur slechts tot uitdrukking gebracht in woord en gebaar. Eerst op 4 september komt de ontevredenheid echt naar buiten. Het Comité Revolutionair heeft op die dag een volksvergadering bijeengeroepen in de kerk om te stemmen over een nationale conventie. De talrijke menigte wordt zo ‘opdringerig’, er wordt zelfs een steen in de richting van de preekstoel gegooid, dat het Comité zich genoodzaakt ziet onverrichter zake de kerk te ontvluchten. Velen verlaten daarop eveneens de kerk om in de stad aan de huizen van de patriotten ‘baldadigheden’ te begaan. De burgerij ‘in het geweer gekomen’ is te klein in aantal om het tegen de menigte op te kunnen nemen. Van een aantal van hen wordt het geweer gewoon afgepakt.2 Als de volgende dag de richter in hotel ‘De Wereld’ enige bestuursaangelegenheden tracht te regelen, dringt het volk ongenood binnen en scandeert: "Voor den donder Oranje boven" en eist het schenken van oranjebitter. Aan de onrust wordt bijgedragen door het feit dat het die dag ook geërfdendag is waardoor er in Wageningen veel volk op de been is uit de omliggende dorpen Bennekom, Lunteren, Renkum en Ede. De Wageningse richter wendt zich tot het provinciaal bestuur voor bijstand. Franse troepen, honderd man infanterie en vier ruiters, worden richting Wageningen gedirigeerd. De Vrijcorpsen uit Arnhem en Tiel doen met elk honderd man ook een duit in het zakje. Na in Veenendaal de inwoners te hebben ontwapend worden in Wageningen een aantal van de ‘raddraaiers’ gearresteerd, voorzover ze het hazenpad niet hebben gekozen. Voor de leden van de Vrijcorpsen lijkt het erop dat ze vooral, naast natuurlijk het feit dat ze zich tonen als goede vaderlanders, uit zijn op een verzetje die nog beloond wordt. Er is genoeg bier en het ‘loon’ bedraagt vijftien stuivers per dag.3
Van de vier jaar koninkrijk onder Lodewijk Napoleon en aansluitend de drie jaar Franse bezetting is niet zo heel veel te merken in Wageningen. Het gevoeligst is nog de aanslag op de tabaksteelt. Door het continentaal stelsel, het antwoord van Napoleon tegen de Engelse blokkade kan er geen Amerikaanse tabak worden ingevoerd. Een kans voor de inlandse tabak ware het niet dat de regering de handel van tabak aan zich trekt. Alle tabak moet worden afgeleverd in de magazijnen van de ‘tabaksregie’. In de hoop en verwachting er toch iets aan de te kunnen verdienen wordt er door enige Wageningse heren het initiatief genomen ook in Wageningen een magazijn voor tabak te stichten. Obligaties ter waarde van f 50 worden aan de man gebracht en de tabaksboeren krijgen voor elke 50 kilo tabak 10 cent te betaald. De Franse tabaksregie wordt bereidt gevonden het magazijn te huren. Begin 1813 kan het magazijn aan de Binnenbleek in gebruik worden genomen. Maar terzelfder tijd vindt Napoleon zijn Waterloo en de Franse verdwijnen uit ons land. Het fonkelnieuwe magazijn blijft ongebruikt. De kleine boeren krijgen hun dubbeltjes terug, de heren zelf zien hun investering in rook opgaan. De leegstand van het magazijn leidt tot verval. In 1874 valt het gebouw onder de slopershamer.4

- sociale beweging en revolutie in Europa

Op 27 juli 1830 loopt het volk van Parijs te hoop. Net zoals bij de bestorming van de Bastille in 1783 is de Parijse Juli-Revolutie niet uitsluitend een Franse aangelegenheid, maar een eerste uiting van onvrede die heerst in belangrijke delen van Europa. Oproerige bewegingen zijn er in België, Duitsland, Oostenrijk, Italië, Zwitserland en Polen. Het laten opgaan van België, in het Koninkrijk der Nederlanden, een gewrocht van het Weense Congres om een buffer tegen Frankrijk te vormen, is geen succes en houdt al na 15 jaar op te bestaan. De Juli-opstand in Parijs geeft de stoot tot het Belgische verzet. Deze draagt op een aantal plaatsen, onder meer te Brussel, een sterk democratisch karakter. Het zijn voornamelijk werklieden die deelnemen aan de straatgevechten en de troepen de stad uitdrijven. De actiefste onder hen zijn republikeinen. In Duitsland en Oostenrijk is er voor het eerst sprake van een burgerlijke revolte. In een aantal steden komt het tot oproer. Het is vooral de Duitse revolutionaire periode die, onbedoeld, een aanzet is tot het internationalisme. Vele Duitsers die zich niet met het autocratische bestuur van één van de vele staatjes die Duitsland dan nog rijk is kunnen verenigingen vluchten en komen voornamelijk in Zwitserland en Frankrijk terecht. Eenmaal gevrijwaard voor de vervolgingswoede trachten zij vanuit het gastland invloed uit te oefenen op de Duitse politieke verhoudingen. In verschillende plaatsen worden legale – en vaker nog illegale – verenigingen opgericht, die streven naar een radicale verandering in de sociaal-maatschappelijke verhoudingen. Sympathisanten en vertrouwenslieden worden geworven en er ontstaat een net van steunpunten met helpers en propagandisten in de belangrijkste plaatsen langs de verkeers- en handelsroutes van West-Europa. De zo ontstane kleine plaatselijke groepen blijven geruime tijd op zichzelf aangewezen ook al komen er wel berichten van de centrale bondsleiding. In cursusbijeenkomsten, waar vooral wordt gesproken over politiek, geschiedenis, aardrijkskunde en maatschappelijke vraagstukken, zoekt men antwoorden op de sociale problemen van verleden en heden. Duitse politieke vluchtelingen, in meerderheid ambachtsman, student of vrije beroepsbeoefenaar, zijn het actiefst in de internationale propaganda voor het democratisch-republikeins vrijheidsstreven en in de emancipatiestrijd van de werklieden. Door de uitwisseling tussen de verschillende nationaliteiten ontdekken deze werklieden alras, dat ertussen hen geen wezenlijke tegenstelling bestaat en dat ze een gemeenschappelijk belang delen. Onder de elite van de arbeidende bevolking ontwikkelt zich een klassenbewustzijn die tot internationalisme leidt. Dit internationalisme baseert zich op de gedachte dat alle volken in harmonie met elkaar kunnen leven, zonder dat daarbij de culturele eigenwaarde en bodemgebondenheid wordt ontkend.

- economische crisis

In alle West-Europese landen zijn de jaren 1843-’48 jaren van groot gebrek en zware ellende. In 1843 is er een economische crisis; daarna zijn er slechte oogsten. In 1845 en 1846 heerst er aardappelziekte; in 1846 is er een malaria-epidemie en in de winter van 1847 een griepepidemie. In 1847 is er een nieuwe economische crisis en er heerst een enorme werkloosheid. Er zijn 470.000 bedeelden op een bevolking van circa drie miljoen zielen. Ruim 15%! Door het nijpend te kort aan voedsel dreigt hongersnood. Het tekort aan het voornaamste volksvoedsel: de aardappel, doet ook de prijzen van graan en andere levensmiddelen stijgen. Het gebruik van jenever stijgt sterk, door het valse begrip dat in jenever ook voeding zit en de maag vult. Natuurlijk helpt jenever vooral om, al is het maar kortstondig, de ellende te vergeten. In Nederland is de economische crisis vooral het gevolg van het ontbreken van een industriële ontwikkeling en daardoor een gebrek aan werk. Het gebrek aan voedsel leidt tot oproer en plundering. De tweede helft van de jaren veertig van de negentiende eeuw zijn jaren van diepe armoede en groot gebrek bij de onderste lagen van de bevolking.5
De negentiende eeuw is voor de arbeidersbevolking van Wageningen een periode van zwarte armoede, bedeling, slechte huisvesting, huisindustrie, ziekte en hoge sterftecijfers. Vooral de steenindustrie dwingt, door haar seizoenmatige karakter en slechte betaling, belangrijke delen van de bevolking de hulp van de publieke liefdadigheid in te roepen. In sommige jaren moet ruim 10% van de bevolking een beroep doen op de steun. Breekt er een besmettelijke ziekte uit, dan stijgt het sterftecijfer, in 1865 zelfs tot 28,3â. De jaren rijgen zich aaneen zonder dat er veel veranderd. Het gemeentebestuur beklaagt zich in 1887 dat de zorg voor de armen steeds zwaarder wordt. Als omstreeks 1890 de tabak volledig van de velden is verdwenen komt ook een deel van de burgerij in de problemen. De Wageningse landbouw die zich gedurende eeuwen heeft geconcentreerd op de tabak moet omschakelen.
Bij aanvang van de 20e eeuw is in Wageningen, een stad met dan ruim 9.000 inwoners, de landbouw nog steeds een belangrijk middel van bestaan. Aardappelen, rogge en haver zijn nu de voornaamste producten. Tuinbouw is er slechts voor de plaatselijke behoefte, de rundveestapel is gering, schapen zijn er slechts weinig, maar het fokken van varkens en de pluimveeteelt nemen enigszins toe. Aan intensivering van het agrarisch bedrijf wordt weinig gedaan. De handel is van zeer geringe betekenis en de haven wordt slechts aangedaan door een gering aantal kleine schepen.6

- gaslicht

De eerste openbare verlichting te Wageningen stamt uit de winter van 1724-1725. Het zijn op palen geplaatste lantaarns. Later worden er ook lantaarns met ijzeren armaturen aan de gevels bevestigd. In 1837 worden deze lantaarns vervangen door schildlantaarns, zogenaamde ‘reverbéres’. Deze lantaarns zijn maar kort in gebruik geweest, want als spoedig worden ze ‘ingehaald’ door de moderne gasverlichting. Begin 1857 krijgt Wageningen een door particulieren opgericht gasverlichtingsbedrijf. Met de stad wordt een overeenkomst met een looptijd van twintig jaar afgesloten voor het verlichten van de stad. Op 11 september 1857 kan men voor het eerst in Wageningen zijn (gas)licht opsteken. In 1860 worden de straten en pleinen verlicht door een vijftigtal gaslantaarns en zijn een aantal woningen en het merendeel van de winkels voorzien van gaslicht.7

- cholera

De meest gevreesde ziekte in de 19e eeuw is de cholera, naast de tering en – vooral in Zeeland – malaria. De cholera komt in vlagen en is zeer besmettelijk. Medici kunnen slechts gissen naar de oorzaak. Wel zeven keer teistert de gevreesde ziekte de bevolking in de negentiende eeuw. In de zwaarste epidemie, die van 1848 ñ ’49, komen meer dan 22.000 van de pakweg drie miljoen inwoners die ons land dan telt door de cholera om het leven. Alle cholera-epidemieën tussen 1832 en 1867 tezamen vergen tegen de 70.000 slachtoffers. De eerste epidemie in 1832-’33 maakt, door de onbekendheid, de meeste indruk. Het is opvallend dat de ziekte in Nederland zwaarder toeslaat dan in de omringende landen. Kennelijk zijn hier de woningen en de hygiëne nog slechter dan elders. Plaatsen met veel bedeelden worden zwaar getroffen. Een reisverslag uit 1832 vermeldt: "Waar straten vuilnisbelten en riolen zijn; waar huizen en hutten een ondragelijke walm bevatten; waar voedsel bestaat uit aardappelen met azijn; waar mannen, vrouwen en zelfs kinderen zijn uitgemergeld door de jenever en brandewijn, slaat ‘De Ziekte’ zonder erbarmen toe."8 De cholera is een acute, door een bacterie veroorzaakte, besmettelijke darmziekte. De haard is te vinden in de Gangesdelta, waarvandaan het zich met enige regelmaat naar Europa en Nederland verbreidt. In Europa wordt de ziekte veelal verspreid via besmet drinkwater. De cholera is een ziekte van armoede en gebrek aan hygiëne. Nadat Robert Koch in 1883 de bacil wist aan te tonen die cholera veroorzaakt, is er een vaccin tegen cholera gevonden. Belangrijker echter voor de bestrijding van de ziekte zijn: betrouwbaar drinkwater, goede fecaliënafvoer en een behoorlijke persoonlijke hygiëne. In het midden van de negentiende eeuw is er nog geen sprake van een behoorlijke drinkwatervoorziening en zijn de straten en grachten nog gewoon open riolen.
Wageningen ligt tussen Rijn, Grebbeberg en Wageningseberg, in het laaggelegen, drassige gebied van de Gelderse Vallei. Het zijn leraren van de Rijkslandbouwhogeschool die waarschuwen, dat de bebouwde kom van Wageningen staat op een verrotte bodem. Het water uit de stadspompen komt uit een sterk vervuilde grond en is een bron van infectieziekte. Lekkende beerputten, het ontbreken van een tonnenstelsel en de vele mesthopen zijn de veroorzakers van de vervuiling.9
Er bestaat een boekje met richtlijnen waaraan de in juni 1832 ingestelde Wageningse commissie zich stipt houdt. De aandacht van de gemeenteraad wordt gevestigd op de pompen, de goten en de riolen – voorzover aanwezig – die goed moeten worden doorgespoeld en de huizen goed schoongehouden. Zo zijn er ook voorschriften voor het eten: weinig groenten wel rundvlees, maar voorzichtig met kippen en ganzen want die kunnen ziek zijn. Met instemming van de gemeenteraad, die vindt dat aangeschaft moet worden wat nodig is als maar de grootst mogelijke zuinigheid in acht wordt genomen, richt de commissie een noodhospitaal in. In oktober wordt het hospitaal in gebruik genomen als de eerste cholerapatiënt zich meldt. Het aantal patiënten blijft tot vier beperkt, waar er overigens wel drie van sterven.10
In 1892 wordt Europa opnieuw geteisterd door een cholera-epidemie. Als de ziekte ook de Nederlandse grenzen bereikt laat de Inspectie van het Geneeskundig Staatstoezicht de gemeenten weten dat zij in bezit moeten zijn van een inrichting of lokaliteit waarin besmettelijk zieken verpleegd kunnen worden. De gemeenteraad van Wageningen besluit om de barak die bij het ziekenhuis aan de Molenstraat staat te gebruiken. De barak is ruim, fris en wel ingericht en al eerder gebruikt voor het verzorgen van besmette patiënten. Aan de gevolgen van de epidemie wordt dus aandacht besteed, maar Wageningen is nog niet toe aan het wegnemen van de veroorzakers. Het kost enige jaren van voorbereiding voordat op 15 april 1898 de drinkwaterleiding in gebruik kan worden genomen. Het rioolstelsel komt pas in de jaren twintig in de 20ste eeuw tot stand. De gemeente geeft wel uitgebreide voorschriften om met hygiëne en het gebruik van gekookt water de ziekte te voorkomen. Mocht je onverhoopt toch ziek worden dan zijn er tips hoe te handelen. Er wordt een gezondheidscommissie ingesteld die de hygiënische omstandigheden in Wageningen moet inspecteren. De commissie komt in november 1892 met conclusies. De afvoer van huisvuil schiet te kort, de straten zijn vervuild, er is onvoldoende afvoer van fecaliën en het drinkwater uit de stadspompen is slecht. Het zijn allen haarden voor besmetting met cholera. Wageningen komt er gelukkig goed vanaf. Er zijn geen slachtoffers bekend van de cholera-epidemie van 1892. De angst voor de ziekte is echter wel de aanzet tot verbetering van de hygiëne in de stad met het oog op de volksgezondheid.11
     

  1. H.L. Driessen,’Wageningen en de revolutie van 1795′ in: Bijdragen en Mededelingen van de Vereniging Gelre (Arnhem 1935) Deel XXXVIII p. 299-310
  2. J.G.A. van Hogerlinden,’Dagboek van A.W.C. Keyser over de gebeurtenissen in de jaren 1794 en 1795 in Gelderland’ in: Bijdragen en Mededelingen van de Vereniging Gelre (Arnhem 1915) Deel XVIII p. 227-228
  3. K. Lijndrajer,’Patriotsche wedervergelding’ in: Bijdragen en Mededelingen van de Vereniging Gelre (Arnhem 1916) Deel XIX p. 227-229
  4. A.W. van de Bunt, Wageningen/Rhenen (Baarn 1969) p. 38-39
  5. J.G. Kikkert, Geen revolutie in Nederland. Impressies van Nederland tussen de Franse tijd en de Eerste Wereldoorlog 1813-1914 (Haarlem 1992) p.50-51
  6. D. Regeling, De stad der tegenstellingen. Een sociografie van Wageningen (Wageningen 1933) p. 24-25
  7. G. Goossen Jzn., Geschiedenis van Wageningen (19772) p. 67
  8. J.G. Kikkert, Geen revolutie in Nederland. Impressies van Nederland tussen de Franse tijd en de Eerste Wereldoorlog 1813-1914 (Haarlem 1992) p.50-51
  9. A. Rietveld, Honderd jaar leidingwater in Wageningen 1898-1998 (Wageningen 1998) p. 3
  10. A.W. van de Bunt, Wageningen/Rheden (Baarn 1969) p. 49-50
  11. A. Rietveld, Achteraf bekeken. Wageningen, brandende wielen en hete hangijzers (Oosterbeek 1999) p. 114-121