Vergersweg 22- 24, 6707 HT Wageningen T: 0317- 416090

Fusie van bonden

- fusies

We kunnen rustig stellen dat de geschiedenis van de vakbeweging er een is van fusies. Ze is voortdurend op weg naar grotere eenheid. De oprichtingsvergadering van de FNV-afdeling Wageningen vindt plaats op 9 november 1977. Rinus Tazelaar, voorzitter van de FNV-afdeling, noemt in zijn toespraak de oprichting een historisch moment voor Wageningen. Volgens hem is "een verdeelde en gedeelde vakbeweging elk gemotiveerd vakbondslid een doorn in het oog, die slechts onze tegenstanders vreugde en voordeel kan verschaffen. Het is te betreuren dat het CNV haar historische identiteit plaatst boven haar evangelische inspiratie, welke anders denkenden niet verkettert, maar wel geïnspireerd opkomt voor zwakken, verdrukten en uitgebuitenen. De FNV laat de leden binnen de beleidsafspraken alle ruimte voor de individuele inspiratie."
De FNV in Wageningen heeft stevige ambities. Steunend op 2.800 leden wil ze vooral dienstverlenend zijn aan de leden enerzijds en anderzijds een counterpart vormen voor de gemeente op het gebied van welzijn en werk.
In de volgende paragrafen geven we een overzicht van de ontwikkeling van de vakcentrales en van de voornaamste bonden die in Wageningen een rol spelen. Die bonden die ook in Wageningen een afdeling hebben (gekend) drukken we vet af. Er ontstaat op die wijze een overzicht waarmee de geschiedenis van de Wageningse arbeidersbeweging als het ware wordt ‘ingeraamd’ in de landelijke ontwikkeling.

- de FNV

Arbeidersbeweging, of dat nu de politieke organisatie of de vakorganisatie is, ontstaat niet zo maar. De idee van een arbeidersbeweging is een importartikel. De verschillende strategische concepten trouwens ook. De politieke beweging komt vooral uit Frankrijk. De kiesrechttactiek en de vakorganisatie vooral uit Duitsland. De coöperatieve beweging vooral uit Engeland.
Vrijwel de gehele negentiende eeuw is nodig geweest om vorm te geven aan de arbeidersbeweging. De politieke beweging staat onder beïnvloeding van afwisselend: radicalen, liberalen en internationalen. Het idee van een arbeidersbeweging is er een van groei. Achtereenvolgens zien we beroepsorganisaties, fondsorganisaties, politieke organisaties, werkliedenverenigingen, coöperaties, vakorganisaties op de voorgrond treden. Eerst tegen het eind van de negentiende eeuw zien we dat de ‘richtingvraag’, in de zin van welke organisatievorm past het best bij het doel van belangenbehartiging van werknemers, een meer vaste vorm krijgt.
De geschiedenis van de arbeidersbeweging laat zich periodiseren wat vooral iets zegt over de strategische opvatting van die periode. In volgorde zien we: beroepsorganisaties/fondsen (vanaf 1810), stakingen onder veenarbeiders en polderwerkers (vanaf 1820), radicale politieke agitatie (vanaf 1840), coöperaties (vanaf 1860), plaatselijke vakorganisaties (vanaf 1860), werkliedenverenigingen (vanaf 1870), landelijke vakorganisaties (vanaf 1880), vakcentrales (1905-1910). Het spreekt vanzelf dat de jaaraanduidingen globaal zijn en dat de ontwikkeling niet messcherp onderscheiden kan worden. Het gaat om een dominante ontwikkeling die zich in een bepaalde periode aftekent.
Romantiek is geen vreemd verschijnsel ook niet in de geschiedschrijving van de arbeidersbeweging. Er is de neiging om de voorgeschiedenis van NVV en FNV in relatie te brengen in een soort erfopvolging van de Sociaal Democratische Bond (SDB) van Domela Nieuwenhuis. Met enig dédain wordt dan afstand genomen van het Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond (ANWV) die te liberaal heet te zijn. Wie echter let op het voorgestane beleid ontdekt dat het ANWV mogelijk toch meer de voorgeschiedenis vormt van het NVV dan de SDB. Het ANWV, opgericht in 1871, zette zich af tegen de Internationale die als te radicaal wordt gezien. De SDB, ontstaan in 1882, is een reactie op het beleid van het ANWV die als te gematigd wordt beschouwd. Het NVV zette zich op haar beurt weer af tegen het Nationaal Arbeids Secretariaat (NAS) die een voortbrengsel is van de SDB.
Het NVV is opgericht op 1 juli 1905. In het kantoor van de Algemene Nederlandsche Diamantbewerkers (ANDB) te Amsterdam, waar nu het Kenniscentrum ‘De Burcht’en het Vakbondsmuseum zijn gevestigd, komen 13 bonden bijeen onder leiding van Henri Polak voorzitter van de ANDB en besluiten tot oprichting. Het NVV begint haar werkzaamheden op 1 januari 1906.
Het NKV ontstaat in 1909 onder de naam van Bureau voor de R.K. Vakorganisatie. Daaraan voorafgaand bestaan er al R.K.-arbeidssecretariaten. Als oudste Rooms-Katholieke vakorganisatie geldt de Timmerlieden-vereeniging ‘St. Joseph’die in 1872 in Arnhem is opgericht. Deze organisatie is lange tijd een eenling gebleven. Rerum Novarum, de pauselijke encycliek van 1891, is in meerdere opzichten de aanzet voor een Rooms-Katholieke vakorganisatie in Nederland. Natuurlijk in de eerste plaats vanwege de erkenning in de R.K.-kerk van het ‘arbeidersvraagstuk’, maar ook omdat het opgepakt wordt als een dam tegen het "godslasterlijke" socialisme. De noodzaak tot oprichting van eigen R.K.-vakorganisaties is daarmee een feit. Amsterdam gaat daarin voorop, spoedig gevolgd door Haarlem en Rotterdam. De oudste R.K. Werkliedenvereeniging is die van Enschede (1899) gevolgd door Hengelo en Borne. De bekende kapelaan Alphons Ariëns is hier de pionier. Tot landelijke organisaties komt het nog niet en dat hangt samen met de diocesane organisatie (bisdommen) van de R.K.-kerk. De vakorganisaties gaan voor in het streven om tot landelijke – of in het eigen jargon; interdiocesane – organisaties te komen. In 1901 komen in Utrecht de R.K. vakorganisaties bijeen en besluiten tot het stichten van ‘vaksecretariaten’. Deze secretariaten zijn vaksgewijze federaties, waarin de zelfstandigheid van de plaatselijke organisatie behouden blijft. Met de oprichting van de vaksecretariaten is geenszins de vraag: diocesane of landelijke organisatie, beantwoord. Het vrijblijvende karakter van de federatieve vorm wordt na enige tijd toch als onvoldoende ervaren. In 1908 worden vijf commissies (vier bisdommen en het aartsbisdom) benoemd die moeten bestuderen welke de beste manier van organiseren is. De vijf commissies komen allen tot de conclusie dat voor de vakorganisaties het beste de nationale vorm kan worden gekozen. De bisdommen Breda en ‘s Hertogenbosch geven de voorkeur aan een federatie van diocesane bonden, terwijl het aartsbisdom en de bisdommen Haarlem en Roermond pleiten voor een nationale bondsvorm. Gevolg is dat in 1909 de vaksecretariaten worden omgevormd tot vakbonden.
Het oprichten van een R.K.-vakcentrale wordt voor het eerst geopperd door de R.K. Diamantbewerkersbond ‘St. Eduardus’ in 1900. Vooralsnog blijft deze bond een roepende in de woestijn. Eerst in 1907 wordt het idee om een R.K.-vakcentrale te stichten serieus opgepakt. Op 1 en 2 augustus 1908 wordt het eerste R.K. Vakvereenigingscongres gehouden in het St. Josephhuis te Utrecht. De belangstelling is zo groot dat moet worden uitgeweken naar Tivoli. Op deze dagen wordt besloten om het Bureau voor de R.K. Vakorganisatie op te richten. De officiële oprichtingsdatum is echter 18 juli 1909 wanneer de oprichtingsakte wordt vastgesteld.
Naast elkaar zijn er nu twee landelijk opererende organisaties. Enerzijds de Federatie van Diocesane bonden en anderzijds het Vakbureau. Aan deze ‘dubbelstructuur’ komt in 1925 een einde met de stichting van het Rooms-Katholieke Werkliedenverbond (RKWV). De Federatie en het Vakbureau worden opgeheven en de besturen van beide organisatie gaan in elkaar op. Met de oprichting van het RKWV komt een einde aan een jarenlange kibbelarij over de meest wenselijke structuur.
De R.K.-vakcentrale ondergaat in zijn geschiedenis nog tweemaal een naamswijziging. Ter gelegenheid van de heroprichting in 1945 wordt de naam Katholieke Arbeiders Beweging (KAB) en in 1963 Nederlands Katholiek Vakverbond (NKV). De laatste naamswijziging is een gevolg van een reorganisatie waarin het centralisme van de KAB wordt omgezet naar een federatie van bonden.
De jaren zeventig van de twintigste eeuw staan wederom in het teken van fusie. De vakcentrales van NVV en NKV gaan hierin voorop, maar daarna volgen de bonden die bij de twee vakcentrales zijn aangesloten. Nadat NVV en NKV in 1975 de federatie FNV zijn gaan vormen vinden ook in de afdelingen gesprekken plaats over samenwerking, federatie en uiteindelijk fusie. In 1977 gaan NVV en NKV in Wageningen samen. Rinus Tazelaar is de eerste voorzitter van de FNV Wageningen.

- Rinus Tazelaar

Marinus Françios Tazelaar, die gemakshalve luistert naar de naam Rinus is geboren en getogen op de Zeeuwse klei. Zijn ouders bezitten een boerderij in IJzendijke waar Tazelaar op 25 juni 1943 het levenslicht ziet. Hij groeit op in een traditionele dogmatisch Calvinistische omgeving. Zijn vader is een rechtlijnige gereformeerde, die AR kiest en maatschappelijk actief is in onder meer het bestuur van de School met den Bijbel. IJzendijke kent niet alleen gereformeerden, maar is een fifty-fifty mix met de meer bourgondisch ingestelde rooms-katholieken. Boer worden is zijn voorland, als kind en jongeman kent hij daar geen twijfel over. Hij volgt braaf de lagere school, de mulo en het middelbaar landbouwonderwijs. De twijfel over het mooie boerenvak komt tijdens de militaire dienstplicht. Na zijn diensttijd solliciteert hij bij het landbouwkundig onderzoek in Wageningen. De eerste de beste sollicitatie is gelijk raak en hij treedt in dienst als assistent-onderzoeker bij de Stichting voor Plantenveredeling (SVP). Tazelaar is nog altijd blij met deze gang van zaken. "Het zijn zestien-zeventien boeiende jaren bij die dienst", vertelt hij, en dat hij nog steeds zeer geboeid is door onderzoeksontwikkelingen bewijst zijn uitweiding over stier Herman en de problemen met de maatschappelijke acceptatie van het project. Het is een van de weinige keren, dat hij zo uitgebreid een zijweg in slaat en afwijkt van zijn verhaal. Minder geboeid wordt hij door de kwaliteit van de organisatie van de landbouwkundige instituten en hij zoekt naar ondersteuning voor zijn kritiek. Aansluiting bij een vakorganisatie lijkt een aangewezen weg en zijn keus valt op de Abva. Een papieren lidmaatschap, daar is hij de man niet naar, maar dat heeft zo zijn consequenties. "Als je één-twee keer je gezicht laat zienÖ" En zo wordt Tazelaar secretaris van de afdeling Wageningen van de Abva. Spoedig daarna zoekt het NVV een voorzitter en Tazelaar is daarvoor de geschikte kandidaat. Het kan snel gaan in de vakbeweging. Zoals het een goed voorzitter van een vakcentrale betaamt ziet Tazelaar al snel in dat het in de Wageningse verhoudingen een absolute noodzaak is om vanuit de ambtenarenorganisaties samenwerking te zoeken met de andere beroepsgroepen. Via het Studium Generale, zeg maar een programma voor algemene ontwikkeling op universiteitsniveau, kan een stagiair worden aangetrokken die als opdracht krijgt een kaderopleiding te ontwikkelen. Om die kaderopleiding gestalte te geven is er behoefte aan een eigen onderkomen. Er is geld en daarmee kan het pand aan de Vergersweg worden gekocht. Het leidt er wel toe dat Tazelaar ook voorzitter wordt van het bestuur van het Volkshuis. Er worden veel activiteiten ontwikkeld in het Volkshuis. "Het is een vaste groep van pakweg tien kaderleden die uitvoering geeft aan al die activiteiten. Een soort Gideonsbende eigenlijk. Er komt een integraal spreekuur voor alle leden van de FNV, er is een programma van opleiding voor kaderleden en er wordt veel aandacht geschonken aan de medezeggenschap."
Tazelaar gaat in gedachte terug naar begin jaren zeventig. "Ambtenaren zijn nogal traditioneel ingesteld. Daar staan in het NVV ontwikkelingen tegenover onder aanvoering van Arie Groenevelt van de Industriebond, Bram Buys van de Bouwbond en Cees Schelling van de Voedingsbond. Daardoor ontstaat er ook onder ambtenaren een behoefte aan nieuwe werkwijzen. De Structuurcommissie die binnen de ABVA wordt ingesteld bestaat uit een gemengd gezelschap van hoofdbestuurders en bondsraadleden. Tazelaar wordt namens de bondsraad naar deze commissie afgevaardigd. Hij ontmoet daarin onder meer de latere voorzitter van de FNV Hans Pont, dan nog lid van het hoofdbestuur ABVA. "Je bemoeien met dergelijke vraagstukken leert je je mogelijkheden kennen, maar ook je grenzen," blikt Tazelaar nu terug. De zelfbeschouwing binnen de ABVA loopt in de tijd gezien gelijk op met ontwikkelingen als de Maatschappij Kritische Vakbeweging en wat later met het bewustwordingsproject van het NVV. Binnen het NKV zien we soortgelijke ontwikkelingen. Deze groeiende gelijkgestemdheid zorgt er mede voor dat we de fusie tussen NVV en NKV wel zien zitten. De fusie in Wageningen is in ieder geval zonder al te veel problemen verlopen.
Tazelaar wordt in het hoofdbestuur van AbvaKabo gekozen en heeft daar twaalf jaar zitting in met figuren als Dutman en Van der Scheur als voorzitter. Het zijn de jaren waarin de ambtenaren uit hun tradities breken en de barricaden opgaan. Het pendelen tussen plaatselijke en landelijke politieke en vakbondszaken is leerzaam en levert veel op aan informatie. "Je snapt eerder waar het op uitdraait en daar kan je je voordeel mee doen."
Het is Henk Blankestijn die Tazelaar polst voor een kandidaatstelling voor de gemeenteraad. In 1980 wordt hij in de gemeenteraad gekozen. Het jaar daarop is er een vacature voor wethouder en schuift hij door van het raadspluche naar het collegepluche. Hij zal wethouder zijn tot 1983. Verandering in wetgeving zorgt er voor dat een wethouder een soort kleine zelfstandige wordt en zelf voor een aantal premies kan opdraaien. Het betekent voor Tazelaar dat hij een inkomensval van zo’n dertig procent mag opvangen. Daar heeft hij geen zin in "ik hoef er niet rijker van te worden, maar toch ook niet armer", is zijn zeer te begrijpen stelling. Gevolg is dat hij weer terugschuift naar het raadspluche. Tot 1992 maakt hij deel uit van de gemeenteraad. Zijn terugtreden als wethouder levert hem heel verschillende reacties op. Het is ‘not-done’ om over geld te praten en om terug te treden vanwege zoiets vulgairs als geld, dat hoort dan eigenlijk niet. Daar staat tegenover dat anderen hem prijzen voor de moed om de stap te zetten. Er zijn meer wethouders in die tijd die hetzelfde probleem hebben. Ook bij de Vereniging van Nederlandse Gemeente (VNG) is het probleem bekend, maar zij slagen er niet in, om in de jaren van grootschalige bezuinigingen, daarvoor bij de minister van Binnenlandse Zaken gehoor te krijgen. Op andere plaatsen wordt wel de truc gebruikt om de echtgenote een minibaantje aan te bieden, zodat daar de premies op afgewenteld kunnen worden. Tazelaar wenst niet op deze, in zijn ogen oneigenlijke, mogelijkheid in te gaan.
De portefeuille die hij beheert is die van Welzijn en Sociale Zaken. Het brengt hem in aanraking met de onderstroom van de Wageningse samenleving en de vraag hoe je daar beleid op kunt formuleren. Het zijn bezuinigingsjaren en zijn start als wethouder is de ondankbare taak het sociaal-culturele veld te saneren. Er zijn zo’n zestig welzijnswerkers in dienst en dat moet met de helft worden teruggebracht. Wageningen is complex. Op een betrekkelijk klein grondgebied moet erg veel gebeuren. Het is dus woekeren met de mogelijkheden. De inspraak van burgers is extra lastig omdat er altijd wel een academisch gevormde deskundige achter de deur staat. Wageningen is een actiestad. Bij een krakersactie gaat Tazelaar op bezoek in het gekraakte pand. Daar aangekomen merkt hij op een gegeven moment dat een aantal krakers bezig is de boel dicht te metselen om hem zo een tijd vast te kunnen houden. Wageningen kent een raad met een zeer kritische houding naar het college. De raad is altijd wel geneigd om te overvragen. Vanuit de welzijnshoek bekeken is Wageningen een fascinerende plaats. Het heeft de omvang van een dorp en de pretenties van een stad.

- AbvaKabo

De eerste vorm van krachtenbundeling onder het over-heidspersoneel bestaat uit organisaties te onderscheiden naar beroep, rang, dienst of bedrijf. Door de uitbreiding van de overheidstaken – PTT, belastingen, pu-blieke werken, gas- en elektriciteitsvoorziening, tram, reiniging – ontstaan rond 1900 vele bondjes van werk-lie-den in over-heidsdienst en verenigingen van allerlei cate-gorieën ambtenaren. Deze organisaties zijn beperkt tot stad of streek of uitsluitend naar beroep georganiseerd. Door aaneensluiting ontstaan in de eerste twee decennia van de twintigste eeuw landelijke organisaties. Omstreeks 1920 hebben zich de vier te onderschei-den richtingen in de arbeidersbeweging zich ook afgetekend in de organisatie van het overheidspersoneel: de moderne of sociaal-democratische, de neutrale, de rooms-katholieke en de protestants-christelijke. Ambtenaren zijn van ouds-her sterk vertegenwoordigd in ‘neutrale’ categorale bon-den. Binnen de vier richtingen vormen zich centrales van overheidspersoneel die meerdere bonden omvatten.
De ambtenarenbeweging in de negentiende eeuw kan in een drietal fasen worden onderscheiden: 1853-1876 te hoop lopen voor een bepaald doel zonder organisatie, 1876-1890 tijdelijke organisatie voor een bepaald doel, vanaf 1890 een groeiende vaste organisatie met als doel de arbeidsomstandigheden van de ambtenaren te verbeteren. De indiening van de pensioenwetsontwerpen in 1889 doet de beweging onder ambtenaren opleven en er ontstaat behoefte aan duurzame organisaties die zich inzetten voor belangenbehartiging van ambtenaren en niet alleen voor slechts één thema. Onder de klerken bestaat al jaren grote onzekerheid over hun aanstelling, terwijl er grote onvrede is over de hoogte van de bezoldiging. Het doel van de in 1889 opgerichte Bond van Klerken der Rijksbelastingen is dan ook bijvoorbaat duidelijk. De Vereeniging van Kommiezen bij ‘s Rijksbelastingen in Nederland komt in 1892 tot stand. Het karakter van de vereniging is neutraal en christelijke- en katholieke commiezen zijn lid van de bond. In 1904 vindt een eerste ‘scheuring’ plaats door de oprichting van de Bond van Ambtenaren op Christelijke grondslag. In 1909, 1913 en 1914 overkomt dat de commiezen opnieuw, respectievelijk door de oprichting van de R.K. Vereeniging voor Commiezen en Commiezen te Water ‘St. Mattheus’, Bond van Assistenten der Rijksbelastingen en de Bond van Commiezen te Water. Religieuze zowel als standsverschillen tasten de eenheid van organisatie aan.
Een jaar jonger dan de vereniging onder kommiezen is De Post een bond van PTT-personeel. De ontwikkeling van De Post vertoont gelijke trekken met die van de kommiezen. In 1903 scheiden de rooms-katholieke leden zich af en in 1908 een aantal protestants-christelijke leden. In 1906 wordt in De Post gediscussieerd over aansluiting bij het zojuist opgerichte NVV. Het komt er niet van, maar het resultaat is wel dat een aantal leden de Nieuwe Nederlandsche Postbond opricht. Dat het hier pro-NVV krachten betreft wordt duidelijk als de Nieuwe Nederlandsche Postbond zich op 1 februari 1910 bij het NVV aansluit. Een jaar later doopt de bond zich om tot Algemeene Bond van Nederlandsch Post-, Telegraaf en Telefoonpersoneel.
Het aantal, vaak onnavolgbare, afkortingen in vakbondsland is groot en de ambtenaren spannen daarin mogelijk de kroon. De Centrale Nederlandse Ambtenarenbond (CNAB) komt tot stand op 1 januari 1919. Het is een fusie van drie bij het NVV aangesloten ambtenarenbonden. Naast de Vereeniging van Kommiezen bij ‘s Rijksbelastingen en de Algemeene Bond van Nederlandsch Post-, Telegraaf- en Telefoonpersoneel is de derde organisatie de Algemeene Nederlandsche Ambtenaarsbond (ANAB); opgericht in 1909. Ook de ANAB is een uitkomst van een scheuring, of misschien beter gezegd een poging tot hergroepering. Een honderdtal ambtenaren zetten zich af tegen de wirwar van categorale verenigingen, er bestaan er op dat moment zo’n 250. Direct na de oprichting sluit de ANAB zich aan bij het NVV. De ANAB vindt vooral aanhang onder lagere ambtenaren. De hogere ambtenaren zijn vanwege hun standsbewustheid vrijwel onmogelijk te organiseren in een algemene bond. De ANAB moet vechten voor zijn bestaan. Verschillende gemeenten en ook een aantal rijksonderdelen nemen bepalingen op in hun ambtenarenreglement waarin staat dat ze weigeren te overleggen met de ANAB, dit in tegenstelling met de categorale ambtenarenorganisaties waarmee wel wordt overlegd. De ANAB ziet dat als willekeur en achterstelling, maar ziet het ook als bewijs dat de gemeentelijke- en rijksoverheden een krachtiger verzet van de zijde van de ANAB vrezen. De CNAB telt na fusie meer dan 9.000 leden.
De Leeuwarder Vereeniging van Gemeentewerklieden ‘Ons Belang’ wordt op 25 september 1899 opgericht op initiatief van de gasfitter Nicolaas van Hinte. In 1901 zal het Ons belang zijn die de stoot geeft tot de oprich-ting van de Bond van Nederland-sche Gemeentewerklieden..Van Hinte gebruikt de verkiezingscampagne van de SDAP in 1901 als platform om in contact te komen met leiders van gemeentewerkliedenbonden in andere plaat-sen. Die contacten leiden er toe dat op 27 mei 1901 te Utrecht de Bond van Nederland-sche Gemeentewerklieden wordt opgericht. Bij oprichting telt de nieuwe organisatie tien afdelingen met gezamen-lijk 1.400 leden. Nadat ook groepen werklieden in dienst van de polders en de provincies zich aansluiten, wijzigt de naam van de bond in 1914 in Nederlandsche Bond van Werklieden in Open-bare Dienst en Bedrijven. Door een fusie in 1920 met de Algemeene Nederlandsche Rijkswerkliedenbond - opgericht op 1 januari 1900 – wijzigt de naam zich in: Nederlandse Bond van Werklieden in Overheidsdienst. De bond heeft dan ruim 15.000 leden. In 1924 volgt nog-maals een naamswijziging. Werklieden wordt vervangen door Personeel waardoor de naam Nederlandsche Bond van Personeel in Overheidsdienst (NBPO) wordt.
De Nederlandse R.K. Bond van Overheidspersoneel ‘St. Paulus’ vindt zijn oudste voorganger in Amsterdam en wel de in 1903 opgerichte R.K. Vereniging van Gemeentewerklieden ‘St. Laurentius’. Vanaf 1905 ijveren de Amsterdammers vooreen landelijke organisatie die in 1909 tot stand komt onder de naam van Nederlandse R.K. Gemeentewerkliedenbond. In 1915 fuseren de R.K. gemeentewerklieden met de R.K. Rijkswerkliedenbond en ontstaat de Nederlandse R.K. Bond van Overheidspersoneel ‘St. Paulus’. De bond telt dan ruim 1.400 leden in 20 afdelingen. Tien jaar later zijn dat er ruim 4.300 in 97 afdelingen
Op 1 januari 1947 gaat de Algemene Bond van Ambtenaren (Abva) van start. De bond is de uitkomst van een fusie van de Centrale Nederlandse Ambtenarenbond en de Nederlandsche Bond van Personeel in Overheidsdienst. ‘Cultuurverschillen’ spelen een belangrijke rol bij de integratie van de twee bonden, die enerzijds – de NBPO – vooral werklieden in dienst van gemeente en rijk organiseert en anderzijds – de CNAB – ambtenaren ‘der secretarie’ verenigt.
De Abva telt bij oprichting 40.943 leden. In ruim dertig jaar zal het ledental meer dan vervijfvoudigen tot 208.363 (1980).
De Katholieke Ambtenaren Bond (Kabo) komt op 1 januari 1949 tot stand door een fusie tussen de R.K. Bond van P.T.T. Personeel ‘St Petrus’en de R.K. Bond van Overheidspersoneel ‘St. Paulus’.
In 1977 gaan de Abva en de Kabo in Wageningen oriënterende gesprekken aan om te komen tot een sterkere samenwerking. In navolging van de landelijke organisaties fuseren de afdelingen van Abva en Kabo in 1980 samen tot AbvaKabo, afdeling Wageningen.

- Bouwbond FNV

De Bouwbond FNV is, gelet op zijn voorgangers, naast KIEM de oudste vakorganisatie. De afdeling Amsterdam van de Bouwbond FNV is de voortzetting van de in 1864 opgerichte meubelmakersvereniging Amstels Eendracht en de 1865 opgerichte timmerliedenvereniging Concordia Inter Nos. De meubelmakers komen voor het eerst tot een nationale aaneensluiting in 1871 door het oprichten van de Nederlandsche Meubelmakersbond. Een keer zal niet volstaan. In 1892 volgt de Algemeene Meubelmakersbond, maar ook deze kent een opvolger in de in 1908 opgerichte Algemeene Nederlandsche Bond van Meubelmakers, Behangers en aanverwante vakken. Door fusie heeft zich bij de laatste de Nederlandsche Behangers- en Stoffeerdersbond, opgericht in 1895, gevoegd.
Ook bij de timmerlieden is drie keer scheepsrecht. Achtereenvolgens zien we in 1875 de Nederlandsche Timmerliedenbond, 1890 de Vereenigde Timmerliedenbond en tenslotte in 1892 de Algemeene Nederlandsche Timmerliedenbond (ANTB) optreden.
De Nederlandsche R.K. Bouwvakarbeidersbond ‘St. Joseph’ ontstaat op 17 mei 1917 uit en fusie van de bonden van kalk- en steenbewerkers, schilders en timmerlieden. De Nederlandsche R.K. Kalk- en Steenbewerkersbond is gesticht op 17 november 1901, maar heeft een voorloper in de in juni 1898 opgerichte interdiocesane bond met afdelingen in Amsterdam, Utrecht, Hilversum en Bussum. In 1901 breidt deze bond zich uit met afdelingen in Arnhem en Oosterbeek. De Nederlandsche R.K. Schildersgezellenbond wordt door verenigingen uit o.m. Amsterdam, Rotterdam en Arnhem opgericht op 16 februari 1902. De Nederlandsche R.K. Timmerliedenbond is weliswaar op 11 mei 1902 opgericht, maar gelet op zijn voorgangers de oudste van het drietal bonden die opgaan in Bouwvakarbeidersbond.
Vóór 1910 bestaan er uitsluitend plaatselijke verenigingen van R.K. meubelmakers, behangers en stoffeerders. Zes van deze verenigingen, onder wie Arnhem en Nijmegen, gaan op 20 maart 1910 samen in de Nederlandsche R.K. Bond van Meubelmakeres, Behangers, Stoffeerders en aanverwante vakgenoten ‘St. Anthonius van Padua’. Ondanks de lange naam ligt het zwaartepunt toch bij de meubelmakers, wat mag blijken uit het feit dat het vakblad wat de bond v.a. 1911 uitgeeft de R.K. Meubelmaker heet. Ook aan de in 1911 opgerichte Nederlandsche R.K. Houtbewerkersbond gaan plaatselijke verenigingen vooraf. De houtbewerkers en meubelmakers fuseren op 29 februari 1920 tot de Nederlandsche R.K. Bond van Houtbewerkers, Meubelmakers, Behangers en Aanverwante Vakgenoten.
In 1886 resp. 1887 komen de Kalk- en Steenbewerkersbond en Steenhouwersbond tot stand. De schilders sluiten zich in 1893 landelijk aaneen in de Nederlandsche Schildersgezellenbond en voorafgegaan door de Nederlandsche Metselaarsbond en de Nederlandsche Opperliedenbond komt in 1906 de Centralen Metselaars- en Opperlieden-Bond in Nederland tot stand. Van aanvang af stelt de Centrale Bond zich op het standpunt van de algemene bedrijfsorganisatie. Reeds in 1912 komt een fusie met de Nederlandsche Steenhouwersbond tot stand, waarna de bond zich siert met de naam van Centrale Bond van Bouwvakarbeiders. De voorgenomen fusies met de schildersgezellen in 1913 en de Algemeene Nederlandsche Grondwerkersbond (ANG) in 1917 mislukken. De ANG wordt later uit het NVV gezet en het grootste deel van de leden sluit zich individueel aan bij de Bouwarbeidersbond.
In 1920 ontstaat de Algemeenen Nederlandschen Bouwarbeidersbond (ANB) uit een fusie tussen de ANTB en de Centrale Bond. Beide organisatie tellen elk bijna 11.000 leden en er ontstaat door deze fusie een grote organisatie met ruim 21.000 leden. In 1937 worden nieuwe fusies voorbereidt, maar deze komen niet meer tot stand. In 1945 herrijst de ANB en is tevens de voortzetting van: de Nederlandse Schildersgezellenbond, de Algemene Nederlandse Stucadoorsbond (1906) en het Neutraal Verbond van Werknemers in het Bouwbedrijf (1925).
In 1971 fuseren de meubelmakers en bouwvakarbeiders in het NVV en een jaar later die in het NKV en ontstaan de Algemene Nederlandse Bond voor de Bouw- en Houtnijverheid (Bouwbond NVV) en Nederlandse Katholieke Bond van Werknemers in de Bouwnijverheid ‘St. Joseph’.
Als gevolg van de besprekingen, aanvankelijk tussen NVV, NKVen CNV, maar uiteindelijk tussen NVV en NKV over samengaan besluiten de Bouwbond NVV en St. Joseph eerst tot een federatie en in 1982 tot fusie en ontstaat de Bouw- en Houtbond FNV. Vanaf 15 mei 1977 vormen de Bouw en Houtbonden van NVV en NKV te Wageningen een federatie. In 2001 wijzigt de bond zijn naam in: FNV Bouw.

- Geurt Folmer

Geurt Folmer overlijdt vrij plotseling op 10 maart 1978. Folmer is een bouwer zowel letterlijk, hij is bouwvakker van beroep, als figuurlijk in de omgang met zijn gezin en in het optreden binnen de vakbeweging. Voor zijn gezin in de eerste plaats, maar ook voor de vakbeweging, en in het bijzonder voor de Bouw- en Houtbond FNV is het heengaan van Folmer een zware slag. Hij is, als het om zijn kinderen gaat, een trots man en steekt dat ook niet onder stoelen of banken. Deze trots wordt nooit hinderlijk, maar getuigt van de grote genegenheid voor zijn gezin.
Folmer kent het bouwwereldje, hij werkt lange jaren bij de firma Kleinrensink. Hij is betrokken bij zijn collega’s en kent de omstandigheden waarin zij werken als zijn broekzak. Vanuit deze betrokkenheid en zijn grondige kennis van de omstandigheden in de bouw weet hij inhoud te geven aan het vakbondswerk.
Folmer is enige jaren voorzitter van de afdeling Wageningen van de Bouwbond-NVV en vanaf 1974 tot zijn overlijden penningmeester. In 1975 wordt hij als vertegenwoordiger van de Bouwbond NVV gekozen in het Wageningse NVV-bestuur.
In de bouw betekent het penningmeesterschap dat je ook, of misschien wel vooral, vertrouwensman bent voor werkenden en werkzoekenden en tevens het geld van het Sociaal Fonds Bouwnijverheid beheert. Folmer is, en dat typeert hem, tegen formeel ingestelde spreekuren. ‘Zijn mensen’ moeten als dat nodig is elke dag bij hem terecht kunnen. Folmer is geen man van grote woorden. Hij is recht door zee, een kameraad die, na een eenmaal gegeven woord, vierkant achter je blijft staan. Dat recht op de man af is hij ook bij zijn werkgever. Het levert het Volkshuis geen windeieren, maar bouwmaterialen op voor de verbouwing.
Velen zullen Geurt Folmer herinneren als de alom aanwezige glunderende gastheer op de ontspanningsavonden van de Bouwbond. Folmer is op deze avonden, die voor hem hoogtepunten zijn, het onmiskenbare middelpunt.1

- FNV Bondgenoten

Op donderdag 29 januari 1998 vond in Amsterdam een opmerkelijke en historische bijeenkomst plaats. Of beter gezegd 4 bijeenkomsten. Vier FNV bonden besloten op die dag gezamenlijk verder te gaan onder de naam FNV Bondgenoten. Een bond met 500.000 leden, die in welhaast alle sectoren van de markt opereert ja je mag wel zeggen van alle markten thuis is, begon op die donderdag met zijn bestaan. De oprichting van FNV Bondgenoten betekent tegelijkertijd dat vier bonden met een roemrucht verleden er mee ophouden. Althans in hun eentje. Deze vier bonden: FNV Dienstenbond, Industriebond FNV, Vervoersbond FNV en Voedingsbond FNV, hebben stuk voor stuk een lange geschiedenis.
De oudste landelijke organisatie als voorloper van FNV Bondgenoten is die van de metaalbewerkers. Op 17 januari 1886 wordt de Nederlandsche IJzer- en Metaalbewerkersbond opgericht door metaalbewerkers verenigingen uit Amsterdam en Den Haag. Nog in hetzelfde jaar sluiten zich verenigingen uit Dordrecht en Arnhem aan. Na enige jaren wordt de bond omgedoopt tot Algemene Nederlandse Metaalbewerkersbond (ANMB). Ook andere beroepsgroepen in- of verwant aan de metaalindustrie gaan zich aan het eind van de negentiende eeuw landelijk organiseren. We noemen: de diamantbewerkers in 1894, de vormers en de koper- en blikslagers in 1896 en de elektriciens in 1897. Al deze organisaties gaan vroeger of later op in de ANMB. De diamantbewerkers (ANDB) in 1956. Bij de Rooms-Katholieke werknemers is er een soortgelijke ontwikkeling met Nederlandse R.K. Metaalbewerkersbond St. Eloy.
Bij de fabrieksarbeiders, die pas aan het begin van de 20ste eeuw tot een landelijke organisatie komen, is er eveneens sprake van een opeenvolging van fusies. Met de glas- en aardewerkers, de sigarenmakers, de drankbereiders en uiteindelijk ook met de mijnwerkers. De sigarenmakers komen voor de eerste maal tot een landelijke organisatie in 1867. Het stakingsconflict waar deze bond in het begin van de jaren zeventig van de negentiende eeuw in terechtkomt, loopt uit op een nederlaag. De organisatie is nog te zwak en het werkgevers front te hecht De sigarenmakersorganisatie gaat teniet. Eerst in 1887 is er weer sprake van een landelijke sigarenmakersbond. De drankbereiders (branders en brouwers) en mijnwerkers komen aan het eind van de negentiende eeuw tot organisatie. De landelijke organisaties van fabrieksarbeiders zijn de Algemene Bedrijfsgroepen Centrale en St. Willibrordus.
De textielwerknemers kennen plaatselijke verenigingen vanaf 1872. Eerst in de laatste jaren van de 19e eeuw komen er landelijke organisaties. De textielbonden in Twente moeten wel het hardste gevecht leveren voor erkenning. Stakingen, die soms maanden duren, waarbij de werkgevers voor het eerst het hongerwapen van de uitsluiting toepassen, gaan om beter loon, maar vaker nog om het voorkomen van loonsverlaging. De meest opmerkelijke fusie van alle bondsfusies is mogelijk die van de Algemene Nederlandse Bond van Textielarbeiders en De Eendracht. De eerste is een socialistische de tweede een katholieke organisatie. Deze fusie, in 1903, loopt dus ruim driekwart eeuw vooruit op de fusie van NVV en NKV in 1981. De bonden die tot 1971 werkzaam zijn in de textiel zijn de ABTK ‘De Eendracht’ en St. Lambertus. Op 15 mei 1952 wordt in Wageningen een afdeling opgericht van de De Eendracht, door de afdeling Veenendaal op te splitsen. In 1963 telt De Eendracht te Wageningen 17 leden.
In 1972 gaan de Metaalbedrijfsbond NVV (voorheen de ANMB), de ABC en de ABTK ‘De Eendracht’ een fusie aan en vormen de Industriebond NVV. Op het zelfde tijdstip doen dat ook St. Eloy, St. Willibrordus en St. Lambertus en vormen samen de Industriebond NKV. In 1979 besluiten beiden Industriebonden, na korte tijd een federatie te hebben gevormd, samen verder te gaan als Industriebond FNV. De Industriebond FNV afdeling Wageningen komt tot stand op 27 september 1979.
De handels- en kantoorbedienden en de handelsvertegenwoordigers kennen sedert de jaren zestig van de negentiende eeuw plaatselijke verenigingen. Veelal niet met een grotere doelstelling dan om met vakgenoten bijeen te komen, maar soms ook met de doelstelling van beter vakonderwijs, verzorging van logementen voor de reizigers en van verzekeringsfondsen. Soms ook met als doel wijziging te brengen in de arbeidsomstandigheden van vakgenoten zoals de Amsterdamse vereniging Vervroegd Beursuur die als doelstelling heeft de arbeidstijd van de bedienden te bekorten door de beurs een uur eerder te laten sluiten. De handelsreizigers kennen al vroeg een landelijke vereniging. Reeds in 1874 komt deze tot stand. In een groot aantal wat grotere plaatsen kent deze bond afdelingen. In 1883 wordt in Rotterdam Mercurius opgericht. Aanvankelijk een plaatselijke vereniging die later zijn vleugels uitslaat over omliggende gemeenten en zo uitgroeit naar een meer landelijke organisatie, waar Rotterdam overigens onmiskenbaar het middelpunt in blijft vormen. Deze organisatie is vooral sterk gericht op opleidingen van kantoorpersoneel. De hedendaagse bemoeienis van de bond met het vakonderwijs in de dienstensector grijpt hierop nog steeds terug. Mercurius heeft zijn conservatieve kanten. Hij ziet geen plaats voor vrouwen in het vak en wenst ze derhalve ook niet te organiseren. In 1896 wordt, met als bakermat Amsterdam, de Nationale Bond voor Handels en Kantoorbediende opgericht. De Nationale en Mercurius zijn een aantal jaren ‘concurrenten’ van elkaar totdat zij 1907 fuseren. De Algemene Bond voor Handels en Kantoorbedienden verschijnt in 1905 op het toneel. Deze bond ontstaat als het ware uit verzet tegen het conservatisme van De Nationale. Het is de Algemene die zich aansluit bij het NVV.
De Rooms-Katholieke handels- en kantoorbedienden kennen plaatselijke verenigingen vanaf 1890 wanneer in Amsterdam St. Nicolaas wordt opgericht. Eerst in 1908 komt er een Nederlandsche R.K. Bond voor Handels-, Kantoor- en Winkelbedienden tot stand. Tussen 1890 en 1908 zijn er wel in een groot aantal plaatsen verenigingen ontstaan die allen vernoemd zijn naar een heilige, zoals St. Olof, St. Vitus en St. Augustinus.
Ook andere beroepsgroepen in de dienstensector kennen plaatselijke en landelijke organisaties zoals pakhuisknechts, winkelbedienden en boekverkopers.Gedurende de twintiger jaren van de twintigste eeuw zijn er meerdere pogingen tussen de De Algemene en Mercurius om tot fusie te komen. In 1945 besluiten De Algemeene en Mercurius door te gaan, verenigd in de Algemene Nederlandse Bond voor Handels- em Kantoorbediende en Handelsreizigers ‘Mercurius’. De organisatie van verzekeringsagenten sluit zich daar in 1947 bij aan. In 1952 moet Mercurius als gevolg van de invoering van de bedijfstaksgewijze organisatie veel leden overschrijven naar de andere bonden. Vanaf 1977 wordt de naam Dienstenbond NVV. Een dergelijke naamswijziging is er ook bij St. Franciscus de Nederlandsche R.K. Bond voor Handels-, Kantoor- en Winkelbedienden. Diens naam wijzigt in Dienstenbond NKV. In 1981 gaan beide Dienstenbonden samen verder als Dienstenbond FNV.
In de voedings- en genotmiddelenindustrie is de beroepsgroep die zich het eerst organiseert de bakkers. Ze hebben daar reden toe. De lange arbeidstijden vooral ‘s-nachts zijn heel lang het centrale thema geweest waar de verenigingen van bakkers verzet tegen aan tekende te beginnen met Een doel, een wil te Amsterdam opgericht in 1869. Nog voor het einde van de negentiende eeuw komt de Nederlandsche Bakkers-gezellenbond tot stand. De land- en veenarbeiders ‘regelen’ hun lonen lange tijd zonder een geregelde organisatie. De veenwerkers krijgen in het begin van het seizoen te horen wat hun loon is. Beviel dat niet dan werd in staking gegaan, het z.g. ‘Bollejagen’. Stakingen in de venen zijn dan ook sedert het midden van de negentiende eeuw welhaast een jaarlijks terugkerend gebeuren. De landarbeiders organiseren zich voor het eerst op grote schaal in 1889 in de verenging Broedertrouw in Friesland. Deze organisatie heeft aanvankelijk veel succes, maar gaat ten onder aan innerlijke tegenstellingen in een groot conflict met de werkgevers. Het zaad is echter gestrooid en in 1890 en daarop in 1897 komt een landelijke organisatie van Landarbeiders tot stand. Een derde loot aan de stam van de Voedingsbond FNV is de Cacao-, chocolade- en suikerbewerkers. Deze beroepsgroep is vooral sterk vertegenwoordigd in Amsterdam en de Zaanstreek. Ons Vakbelang is de oudste vereniging van cacaobewerkers. Deze vereniging komt in 1895 tot stand in Amsterdam. In 1899 komt een landelijke organisatie tot stand die voornamelijk steunt op Amsterdam en de Zaan met een enkele afdeling elders zoals Rotterdam.
De Rooms-Katholieke werknemers kennen van aanvang af een landelijke organisatie – opgericht in 1897 – waarin bakkers en cacao-, chocolade en suikerbewerkers in een organisatie zijn samengebracht. In 1904 komt er ook een Rooms-Katholieke organisatie van landarbeiders: St. Deusdedit.
In de loop van de jaren gaan steeds meer beroepsgroepen samen in wat uiteindelijk de Voedingsbond FNV zal heten we noemen: de slagersgezellen, de werknemers in de zuivel en bloemisten en tuinlieden. Al deze groepen hebben landelijke organisaties gekend. Na al deze fusies zijn de Voedingsbonden van het NVV en NKV de eerste die in 1976 een FNV bond worden.
Zonder transport staat alles stil. Deze slogan die zeker hout snijdt gaat vooral op in de tweede helft van de twintigste eeuw. Een eeuw geleden was het toch meer: in het transport gaat het vooral rustig. De oudste organisaties in het transport moeten we dan ook vooral zoeken bij het transport over water. De oudste bond is die van de schippers en schuitenvoerders die in 1868 in Amsterdam ontstaat. De eerste landelijke organisatie in de binnenvaart is van 1900. De bootwerkers in de haven organiseren zich met vallen en opstaan vanaf de tachtiger jaren van de 19e eeuw. De Rooms-Katholieke werknemers vormde in Rotterdam in 1896 eigen verenigingen.
Vele organisaties van aparte beroepsgroepen in het vervoer zijn terecht gekomen in de Vervoersbond FNV. Machinisten en Stokers gaan in 1913 samen met verenigingen van dekpersoneel en die van de Rijnvaart. In 1918 gaan zij weer samen met de Centrale Bond van Transport – en Havenarbeiders (CBT). De Kuipersgezellenvereniging is bij deze fusie ook betrokken evenals de organisaties van loopknechten, bezorgers en pakhuisknechten. De Vlaardingse vissers sluiten zich aan in 1918. Eensgezindheid uit Zaandam, een bootwerkersvereniging doet dat in 1919. Er volgen tussen 1920 en 1940 meer aansluitingen van vaak plaatselijke verenigingen van werknemers in het transport.
Een belangrijke groep is natuurlijk het spoorwegpersoneel. De oudste verenigingen van spoorwegpersoneel dateren uit 1870 en 1871 resp. in Utrecht en Tilburg. De zelfstandige organisatie van Spoor- en Tramwegpersoneel bestaat tot 1956 wanneer zij fuseert met de CBT tot de Nederlandse Bond van Vervoerspersoneel (NBV). Onder de Rooms-Katholieke werknemers is een zelfde gang van zaken weer te geven. In 1903 ontstaat St. Raphael de Nederlandsche R.K. Bond van Spoor- en Tramwegpersoneel. In 1963 fuseert St. Raphael met St. Bonifacius de Katholieke Bond van Werknemers in het Transportbedrijf. St. Bonifacius is in 1902 gestart onder de naam: St. Leonardus. In 1972 zijn er naamswijzigingen en krijgen we de Vervoersbond NVV en de Vervoersbond NKV. In 1974 gaan deze twee een federatie aan om in 1982 door een fusie Vervoersbond FNV te worden.

- Kiem

De Algemeene Nederlandsche Typografenbond (ANTB) is door zijn oprichting in 1866 de oudste landelijke vakbond van ons land. Aanvankelijk steunde de bond slechts op twee plaatselijke verenigingen in Amsterdam en Arnhem. Het tweede bondsjaar laat een groei zien in afdelingen waaronder Wageningen. Lange tijd is de ANTB de enige landelijke organisatie in het grafische bedrijf, noch naar beroepsgroep nog naar gezindte is er sprake van een andere organisatie. Daaraan komt een einde in 1900 als de steendrukkers en de boekbinders te Amsterdam er toe overgaan eigen organisaties op te richten. In 1902 wordt de Nederlandsche Katholieke Grafische Bond (NKGB) opgericht. In hetzelfde jaar ziet ook een christelijke bond het licht. De Amsterdamse Steendrukkers Vereeniging ‘Ons belang’ geeft in 1902 de aanzet tot het oprichting van de Nederlandsche Steendrukkers Vereeniging. Eveneens in Amsterdam is er nog sprake van een Vereeniging van Litografen. De litografen werken met de steendrukkers samen met de uitgave van het Litografisch Vakblad. De samenwerking wordt fusie door omzetting van de Nederlandsche Steendrukkers Vereeniging in de Nederlandsche Lito-Fotografische Bond (NLFB) op 1 januari 1905.
De Nederlandsche Fotografen Bedienden Bond is opgericht in 1894. Groot is deze bond nooit geweest en ze heeft slechts in enkele grote steden haar aanhang. In 1912 fuseert ze met de NLFB. Ter completering van de beroepsgroepen die in het grafisch bedrijf een eigen organisatie hebben gekend moeten we de chemigrafen noemen. In 1906 doet de NLFB een poging om de chemigrafen te organiseren. De actie mislukt, maar heeft tot gevolg dat de Algemeene Nederlandsche Chemigrafen Bond (ANCB) wordt opgericht. Nog in hetzelfde jaar vinden tussen de NLFB en ANCB besprekingen plaats om een federatie te vormen. In juni 1907 wordt overeenstemming bereikt en wordt de federatie een feit. In 1911 leidt het tot een fusie en krijgt de bond de naam van Nederlandsche Lito-, Foto- en Chemigrafenbond (NLFCB).
De ANCB komt door de fusie in het NVV terecht. Voor de katholieken en christelijke leden is dat een stap te ver en zij treden uit de bond. In 1912 leidt dat tot de oprichting van de Nederlandsche R.K. Lito-, Foto- en Chemigrafen Bond (NRKLFCB) die nog in dat zelfde jaar besprekingen aanknoopt met de NKGB. In 1918 fuseren beide R.K.-grafische bonden. De naam blijft NKGB.
Een aantal jaren blijft de NLFCB werkzaam binnen haar eigen beroepsgroepen, maar in 1918 tracht ze haar werkterrein te verbreden tot de typografen. Het spreekt haast vanzelf dat ze daarmee in aanvaring komt met de ANTB. De ANTB en de NLCFB opereren in dezelfde bedrijfstak en het is derhalve niet verwonderlijk dat ze in elkaars vaarwater komen. Net zomin is het verwonderlijk dat op de gedachte wordt gekomen om te fuseren. In 1922 begint het idee van fusie in het vakblad van de NLCFB, maar het vakblad van de ANTB reageert nogal afhoudend, door te wijzen op de verschillen tussen de typo’s en de andere ‘grafen’. Desondanks vindt er overleg plaats tussen de besturen van beide organisaties. Het leidt vooralsnog alleen tot verbetering in de samenwerking. Eerst in de Tweede Wereldoorlog zal het gedwongen door de bezetter tot een fusie komen. In 1945 wordt de afgedwongen fusie niet meer ongedaan gemaakt en wordt de bond heropgericht onder de naam van Algemene Nederlandse Grafische Bond (ANGB).
In navolging van de vakcentrales NVV en NKV starten de grafische bonden ANGB en NKGB in 1977 federatie besprekingen. In 1978 komt de federatie Druk en Papier FNV tot stand, gevolgd door een fusie in 1982.

- er is er geen zonder vlekje

Het zijn allemaal gepokte en gemazelde vakbondsbestuurders, maar toch zitten ze er wat onwennig bij nu het eens niet gaat over arbeidsvoorwaarden of de organisatie van het vakbondswerk.2 Het gezelschap – één dame en zeven heren – aarzelt nu ze het over hun eigen geschiedenis moeten hebben. Er is iets van terughoudendheid en schroom. Ondanks de nadrukkelijke uitnodiging om in het gesprek te stappen als een van de aanwezigen iets te berde brengt wat tot discussie moet leiden, tenslotte gaat het er om de betere ‘roddels’ op tafel te krijgen, blijft het verdacht stil en luistert iedereen respectvol naar Jans Schepers als deze als eerste zijn verhaal vertelt. En dat voor een gezelschap, dat meestal al voor aanvang van de vergadering met elkaar in debat is en zelden verzuimt om door elkaar te praten. Schepers is geen Wageninger en daarmee is het eerste opmerkelijke punt aan de orde, want de meeste komen van oorsprong niet uit Wageningen.
Schepers, geboren in 1940 te Emmen, groeit op in een agrarisch gezin. Na de lagere school bezoekt hij de MULO en daarna de Middelbare Landbouwschool. Voor werk komt hij naar Wageningen. In 1963 treedt hij in dienst als onderzoeksassistent plantenveredeling bij de Directie Landbouwkundig Onderzoek. Aanvankelijk maakt dit onderzoeksinstituut deel uit van het Ministerie van Landbouw en Visserij, maar later wordt het verzelfstandigd. Schepers blijft deze werkgever trouw totdat hij in 2001 met FPU, de vervroegd uittredingsregeling in overheidsland, gaat.
De arbeidersbeweging in het algemeen en de katholieke arbeidersbeweging in het bijzonder heeft hij niet van huis uit meegekregen. Vanwege zijn huwelijk met een katholiek meisje bekent hij zich tot het katholicisme. Schepers, een katholiek uit liefde, heeft dus meer vlekjes dan alleen het niet-Wageninger zijn, maar ook daarin zal hij niet uniek blijken. In 1967 wordt hij lid van de Katholieke Bond van Overheidspersoneel (Kabo). En dan gaat het hard want wat hij met zovele ontdekt is: je hoeft er maar even je neus in te steken of je wordt gebombardeerd tot kaderlid. Hij belandt in de Groepsraad-Landbouw van de Kabo, wordt lid van de dienstencommissie, later OR, en komt, na de fusie van Abva en Kabo, in het afdelingsbestuur van de AbvaKabo.
De dienstencommissie, Tazelaar is daarvan de grote voorvechter, komt in 1970 tot stand. Aan Helwig heeft hij het te danken dat hij in de groepsraad terechtkomt. Aangezien Schepers niet in het afdelingsbestuur van Wageningen van de Kabo heeft gezeten vindt hijzelf dat hij niet echt een Kabo verleden heeft. Om die reden heeft hij geen sterke gevoelens over de fusie van Abva en Kabo. Het gebeurt en voorzover hij daar een mening over heeft wordt door hem de fusie onderschreven. "Goed dat het gebeurt is. Met meer mensen kun je toch meer bereiken", aldus Schepers. De fusie heeft ook bij Ton Helwig geen diepe sporen nagelaten. "Ach, landelijk is dat besloten dus doe je dat gewoon", deelt hij desgevraagd mee. Hij heeft er geen problemen mee. Ook voor hem geldt: als je groter bent heb je meer invloed. Helwig is ook niet iemand die van huis uit de vakbeweging heeft meegekregen. Aanvankelijk meent hij zelfs dat het dom is van die bonden om afspraken te maken die voor iedereen gelden. Waarom zou je dan lid worden? Later vindt hij dat toch niet zo’n sportieve houding en treedt toe tot de Algemene Rooms-Katholieke Ambtenarenbond (Arka).
Schepers stopt in 2003 als afdelingsbestuurder. De ‘indikking’ van de afdeling, ofwel het opgaan van de afdeling Wageningen in die van Ede kan hij nog wel volgen, maar als het een nog omvangrijkere afdeling moet worden dan is het voor hem toch mooi geweest en besluit hij op te stappen. Namens de AbvaKabo heeft hij zitting in de FNV-afdeling Wageningen. In de laatste jaren voor de opheffing van de FNV-afdeling is hij voorzitter. Jans Schepers is dus de laatste voorzitter van de FNV in Wageningen.
Ook Ben Brouwer is een allochtoon. En ook zijn ‘bakermat’ is geen vakbondsgezinde omgeving. Dat ‘vlekje’ deelt hij dus met Schepers en Helwig. Brouwer is in 1942 geboren in Rotterdam. Zijn wieg staat op een vrachtboot; zijn ouders zijn binnenschippers. Na de lagere school volgt hij binnenvaart onderwijs en opleidingen voor de zeevaart. Het ruime sop zal hij echter niet kiezen. In 1960 is hij matroos/stuurman op een particulier binnenschip en enkele jaren later kapitein op partyschepen. In 1970 komt Brouwer in Wageningen terecht als kapitein op het Lexkesveer. De gemeentedienst van Wageningen zal hij niet meer verlaten. Via promoties tot haven, markt en veerbaas en coördinator wordt hij in 1998 teamchef buitendienst. In die functie ‘monstert’ hij in 2003 af en gaat met FPU. Zijn familieachtergrond kenschetst hij als een VVD nest en dat wordt nog versterkt door zijn huwelijk met een kasteleinsdochter die ook uit een VVD nest stamt. Ten tijde van zijn opleiding komt hij al wat los van het liberale gedachtegoed, maar het duurt toch tot 1972 alvorens hij zich aansluit bij de ABVA. Als je het doet dan moet je het goed doen moet zijn gedachte zijn geweest want in hetzelfde jaar wordt hij ook lid van de VARA en de PvdA. Al spoedig (1973) is hij bestuurslid van de groep gemeente met zo’n honderd leden. Hij zal dat zo’n vijftien jaar blijven, waarvan tien jaar als voorzitter. Brouwer wordt gekozen in het georganiseerd overleg – het bij verordening vastgelegde overleg tussen werkgever (de gemeente) en de bonden – en zal daar 25 jaar deel van uitmaken. Ook in de opeenvolgende dienstencommissies en medezeggenschapsraden doet hij een kleine twintig jaar mee. De fusie tussen Kabo en Abva staat ook bij Brouwer niet echt in de ziel gegrift. "Ach, eigenlijk namen we ze over", is zijn wat laconieke commentaar aangevend dat hij het nu niet bepaald als een wereldschokkend probleem heeft ervaren. "De groep gemeente is betrekkelijk klein en je kende de anderen al uit het georganiseerde overleg", aldus Brouwer, "dus je wist met wie je in zee ging." Het lijkt een abc-tje, maar helemaal vlekkeloos gaat het nu toch ook weer niet. Voor de leden van de Kabo is Het Volkshuis toch ‘besmet’. Te veel geïdentificeerd met het rode verleden. De groep gemeente van de AbvaKabo vergadert voortaan op het gemeentehuis. Door de jaren heen slijt de aversie tegen Het Volkshuis en nu is daar niets meer van te merken.
Brouwer is van 1984 tot 1988 voorzitter van het Volkshuisbestuur. Het is een spanningsvolle periode. In Het Volkshuis is er sprake van een soort commissiedemocratie. Het bestuur is zijn greep kwijt en de commissies maken min of meer de dienst uit. Onder het regime van Brouwer worden de commissies bedankt en aan de dijk gezet. Door het moeizame functioneren ontstaat er ook nog discussie aan de hand van de prangende vraag: van wie is nu eigenlijk Het Volkshuis? Zowel bij FNV als bij PvdA bestaat de opvatting: ieder de helft! Het Volkshuis is echter ondergebracht in een stichting die statutair bestuurd wordt door twee partijen. Elk der partijen kan er wel uitstappen en zo zijn zeggenschap opgeven, maar dat wil nog niet zeggen dat je ook de helft van het bezit mee kan nemen. Het eigendom blijft gewoon in de stichting. Uiteindelijk zal de PvdA uit de stichting stappen. En of het allemaal nog niet genoeg is, is er ook nog de haat-liefde verhouding tussen Het Volkshuisbestuur en de Bouw- en Houtbond FNV. De laatste, onder aanvoering van Gradus Verhoeven wenst niet akkoord te gaan met het contract wat ze van Het Volkshuis krijgen voorgelegd. Het loopt zo hoog op dat de Bouwbond zelfs een ander onderkomen zoekt. "Gradus is nogal vasthoudend", zegt Brouwer daarover, "hij kon de vergaderingen behoorlijk ophouden."
Gradus Verhoeven is een zoon van een steenfabrieksarbeider. Hij volgt een schildersopleiding, maakt deze niet af, maar belandt wel in het schildersvak en dus in de bouw. Hij maakt al jaren deel uit van het afdelingsbestuur Wageningen van de Bouwbond FNV. "De fusie van de bouwbonden gaven in Wageningen echt geen probleem", vertelt Verhoeven met enige trots. "De beide afdelingen in Wageningen fuseren al een jaar eerder dan de landelijke organisatie." De fusie mag dan geen probleem geven, in het gefuseerde afdelingsbestuur zijn twee penningmeesters en die geven dat wel. Het duurt niet lang of beide lastpakken worden afgezet. Met de nieuwe penningmeester wordt een strakke financiering afgesproken. Deze werkwijze heeft succes en het zorgt ervoor dat de Bouwbond in Wageningen een kapitaalkrachtige bond wordt. Het Volkshuis kan zich geen breuk veroorloven met de ‘suikeroom’ in het gezelschap van partij en bonden. Om Het Volkshuis draaiende te houden is de Bouwbond een noodzaak zowel vanwege de centjes als vanwege de ‘handjes’ die ze kunnen leveren. Als er opgeknapt moet worden zijn een aantal vrijwillige bouwvakkers natuurlijk goud waard.
Het antwoord op de vraag waarom de Bouwbond dan toch opstapte vanwege een huurcontract, terwijl ze toch geld hebben is nogal verrassend. "We zijn een kleine bond in vergelijking met de ambtenaren. Bij hen voelden we ons toch te vaak het ondergeschoven kind in Het Volkshuis. En dat leidt tot dergelijk gedrag."
Van Ton Helwig weten we al dat hij uit de Kabo stamt en dat hij weinig problemen had met de fusie tussen de Kabo en de Abva. Hij maakte deel uit van zowel het afdelingsbestuur van de Kabo als die van de AbvaKabo. Helwig is een in 1932 geboren Hagenaar. Zijn vader werkte daar bij de PTT. In de Tweede Wereldoorlog komt hij op de Noord-Veluwe terecht en maakt kennis met de landbouw. Na de MULO volgt hij de opleiding aan de Hogere Landbouwschool te Dordrecht. Na eerst een aantal jaren gewerkt te hebben in den Haag bij het Landbouw Economisch Instituut vestigt hij zich in 1966 in Wageningen na aanvaarding van een baan bij IMAG (vroeger Instituut voor Landbouw Research). Hij werkt tot zijn pensionering in 1997 bij IMAG.
In tegenstelling tot de meeste anderen is Cees Kooijman wel een geboren en getogen Wageninger. Een geschreven portret van hem vindt u elders in dit boek. Ook Kooijman heeft weinig problemen ondervonden van de fusies die hij heeft meegemaakt. De eerste is die van de Metaalbedrijfsbond met de ABC en De Eendracht. De toenmalige voorzitter van de ABC wil persé aanblijven als voorzitter. Deze uitdrukkelijke wens doet Kooijman, die dan voorzitter is van de Metaalbedrijfsbond in Wageningen, terugtreden. "Het is dan wel sneu", merkt hij op, "als je twee jaar later alsnog wordt gevraagd om aan te treden."
De veronderstelling dat al die fusies die zo gladjes zijn verlopen een te mooie voorstelling van zaken is wordt van alle zijde hartgrondig tegengesproken. De bonden onderling binnen de FNV maakten vaker ruzie dan dat de voormalige concurrenten van NVV en NKV dat deden is de repliek. Het gezelschap raakt enthousiast als de acties gememoreerd worden die met Het Volkshuis als centrum zijn georganiseerd. De acties tegen de korting op ziekengeld in 1979 zijn de mooiste. Wageningen trekt massaal met bussen naar Den Haag. "We kregen veel aandacht in de pers. Die Wouke van Schellenburg, die nu net is vertrokken bij het NOS-journaal, die werkte toen bij De Nieuwe Krant, die zagen we toen vaak hier." Gradus Verhoeven geniet nog duidelijk na, als hij vertelt van de 4.000 taai-taai kruisraketten die ze hebben rondgedeeld bij de Rijksgebouwendienst. Voor hem zijn de acties tegen de plaatsing van de kruisrakketen de mooiste. Voor Kooijman blijft de actie tegen de korting op de ziektewet het mooist. Alle 35 werknemers werkzaam bij De Weerd stapten toen in de bus. De staking was unaniem en volledig.
Dora van Os-Jacobsen heeft een minder directe beleving met dergelijke acties. Geboren in Renkum in 1925 komt ze na haar huwelijk naar Wageningen. De echtgenoot van Van Os werkt bij drukkerij Veenman. Geheel passend in de tijd, wordt zij, als de vrouw van, lid van de Vrouwenbond en maatschappelijk actief in het vrijwilligerswerk. Van Os is zes jaar secretaris van de Vrouwenbond afdeling Wageningen, zes jaar penningmeester en vier jaar voorzitter. Ook maakt ze jarenlang deel uit van het districtsbestuur en het landelijk bestuur. Zij maakt zich zeer verdienstelijk in de service naar de leden. Twaalf jaar verdedigt ze de belangen van de werknemers in de ontslagcommissie van het Gewestelijk Arbeidsbureau en even lang doet ze dat in de adviescommissie van de Sociale Dienst. Het indrukwekkendste is toch wel de 31 jaar dat zij de leden van het NVV en FNV ten dienste is met het invullen van hun belastingbiljet, het telken jaren terugkerende lastige en gehate karweitje. Het is de omvangrijkste en in service aantallen gemeten belangrijkste dienst die de FNV haar leden te bieden heeft. Deze service drijft geheel en al op vrijwilligers als Dora van Os. Als haar echtgenoot in 1989 overlijd zet ze zijn lidmaatschap bij de grafische bond – nu Kiem geheten – voort. Haar man is meer dan 40 jaar vertrouwensman geweest voor alle grafische bedrijven in Wageningen. Van Os zet zijn werk voort als contactpersoon van het ASF, het sociaal fonds in de grafische industrie. Ook in haar beleving zijn de fusies die de grafische bonden aangaan nooit een groot probleem geweest. De grafische industrie in Wageningen is nu goeddeels geschiedenis en zo ook de afdeling Wageningen van de grafische bond, maar Van Os is nog immer lid van Kiem en gelet op haar verknochtheid aan deze organisatie zal ze dat haar leven lang wel blijven ook.
Joop Ackerman is wel een echte Wageninger, maar aan hem kleeft wel weer een ander ‘vlekje’. Hij is tot 1961 lid van de Eenheids Vakcentrale (EVC) alvorens lid te worden van het NVV. Er is duidelijk respect en waardering voor Ackerman bij de andere gespreksdeelnemers, maar toch ontstaat er enige animositeit als hij zijn politieke keuze voor het communisme toelicht. Iedereen kent die natuurlijk allang, maar toch. Ackerman is een kind uit een gemengd huwelijk. Zijn vader is katholiek en zijn moeder protestant. Beide ouders sluiten zich echter al op betrekkelijk jonge leeftijd aan bij de CPN. Het geeft een breuk in de familie en de jonge Ackerman kende lange tijd zijn grootouders niet ondanks dat deze slechts enkele deuren verder wonen. Al op achtjarige leeftijd maakt hij kennis met Het Volkshuis bij repetities en optreden van het zangkoor Tot Steun in de strijd waar zijn ouders lid van zijn.
Ackerman heeft meerdere werkgevers gehad in de metaalnijverheid en metaalindustrie, maar komt tenslotte in de bouw terecht. De laatste 12 jaar voor zijn pensioen werkt hij als administrateur bij de meubelfabriek. Zijn politieke keuze brengt de opvatting mee dat je lid hoort te zijn van de moderne vakorganisatie. Hij is secretaris geweest van de EVC afdeling Wageningen, maar als deze gaat verlopen volgt hij het advies van het CPN-bestuur en wordt hij lid van het NVV. Binnen het NVV ondervindt hij herhaalde malen de nodige weerstand, onder meer van de toenmalige voorzitter van de Bouwbond in Wageningen. Ook de vader van Ackerman, die wel tot drie keer toe is geroyeerd, ontmoet vanwege zijn opvattingen de nodige weerstand. Nadat Ackerman lid is geworden van het NVV gaat in de Wageningse bondskringen de mare rond, ‘dat de ledenlijsten binnenkort wel in Moskou zullen liggen’.
Ondanks de aanvankelijke weerstand is Ackerman eerst voor het NVV later voor het FNV zeer actief. Hij is zowel secretaris geweest van de NVV-bestuurdersbond als van de opvolgende FNV-afdeling. Het meest betrokken voelt hij zich bij die mensen die het moeten doen met een uitkering. Vanuit de FNV-afdeling is hij verantwoordelijk voor de WAO-groep en neemt hij deel aan het landelijk WAO-beraad. Persoonlijk heeft hij de tegenstellingen tussen de verschillende groepen werknemers nooit begrepen. En zo heeft hij ook vreemd aangekeken tegen de strubbelingen tussen de verschillende WAO-groepen van de bonden. Elke bond wenste zijn eigen groep te houden. Het zou toch sterker zijn geweest als er één landelijke WAO-groep binnen het FNV zou zijn gekomen. Het spreekt vanzelf dat iemand met zulke sterke opvattingen over eenheid fusies als een vanzelfsprekendheid ziet. En ook hij is van mening dat de fusies in Wageningen zonder noemenswaardige problemen zijn verlopen. Zijn mooiste actiebeleving is nog altijd die van Prinsjesdag: Actiedag-Stakingsdag.
Dik Masdorp is de huidige voorzitter van Het Volkshuis. Hij past in het rijtje: niet uit Wageningen en niet van huis uit. Hij is in 1928 geboren in Rijswijk nabij Den Haag. Zijn vader is bouwkundige en zijn moeder houdt in de Tweede Wereldoorlog een kostschool ten behoeve van de Kees Boekeschool. Masdorp volgt de HBS in Arnhem en de HTS in Dordrecht. Hij werkt achtereenvolgens op de tekenkamers van werven in Sliedrecht, Dordrecht, Alblasserdam en Vlaardingen alvorens in 1962 te gaan werken bij het Nederlands Scheepsbouwkundig Proefstation het huidige Marin. Masdorp is al actief in de PSP, voordat hij naar Wageningen komt. In Dordrecht is hij medeoprichter van de PSP. Als hij kandidaat wordt gesteld voor een plek in het bestuur van de NVV-bestuurdersbond, wordt hij eerst niet geaccepteerd vanwege zijn PSP activiteiten. Deze moeilijkheden lijken veel op die van Ackerman een decennium eerder. Het mag dan ook als zeer opmerkelijk worden beschouwd dat op een gegeven moment het FNV-bestuur Wageningen als voorzitter Masdorp kent en als secretaris Ackerman. Masdorp functioneert in de PSP afdeling al als vraagbaak en het is dan ook niet verwonderlijk dat hij in de FNV zeer actief is in de ledenservice. Het Infoteam wat Wageningen rijk was heeft een groot aantal jaren goed werk verricht. Het draaide toen met een ploeg van wel vijftien mensen. Maar het kalft af en uiteindelijk komt het neer op nog maar een paar mensen. Naast Dik Masdorp zijn dat Jans Schepers, Dora van Os en Cor Viets die getrouw het wekelijks spreekuur onderhouden.
Overzien we het gezelschap dan blijkt dat de appel wel degelijk verder van de stam valt dan het spreekwoord zegt. De een na de andere heeft wel een ‘vlekje’. Een sterke mythe in vakbondsland is nog steeds de gedachte dat ‘vroeger’ jongeren eerder en vaker lid zijn dan tegenwoordig en dat dat komt omdat toen jongeren door hun ouders werden ingeschreven, zodra ze gingen werken. Uit het Wageningse gezelschap blijkt iets geheel anders: vrijwel niemand is van huis uit lid van de vakbeweging. Het kan natuurlijk zo zijn dat het een a-typische gezelschap is, maar het valt niet uit te sluiten dat het ‘zoals het vroeger was’, ook nu weer eens niet is geweest.
&

  1. Jaarverslag NVV afdeling Wageningen 1977-1978
  2. Groepsinterview 11 december 2003 in Het Volkshuis met Jans Schepers, Ben Brouwer, Gradus Verhoeven, Ton Helwig, Cees, Kooijman, Dora van Os-Jacobsen, Joop Ackerman en Dick Masdorp. Tevens aanwezig Henk Slegten, regiobestuurder FNV Oost