Vergersweg 22- 24, 6707 HT Wageningen T: 0317- 416090

Het steenovenvolk

- plattelandsbevolking

De landbouw is als bron van bestaan in Nederland in de eerste helft van de 19e eeuw van overheersende betekenis. Omstreeks het midden van de eeuw werkt in Gelderland 55% van de mannelijke beroepsbevolking in de agrarische sector en zijn de schaarse industriële activiteiten voornamelijk daarop afgestemd. Op het platteland gaat het de arbeider in vergelijking met zijn lotgenoten in de stad beter. In een stad als Amsterdam is in 1852 22% van de bevolking bedeeld en enige jaren later zelfs ruim 31%. De schatting is dat tussen een kwart en een derde van de Nederlandse bevolking in het midden van de 19e eeuw van de bedeling leeft. Zo bezien gaat het op het platteland beter aangezien daar ‘slechts’ tussen de 8 en 15% zich in leven houdt dankzij de bedeling. Uit het verslag van de Commissie van Spijsverstrekking te Wageningen over 1854 blijkt dat er elke dag meer dan 700 maaltijden zijn versterkt terwijl het aantal inwoners ongeveer 4.000 is.1 Wie dat aantal omzet in een percentage zal ontdekken wat het aantal bedeelde betreft Wageningen het midden houdt tussen het platteland en de grote stad. Een van de redenen dat het de plattelander beter gaat is dat hij vaak een stukje land ter beschikking heeft om wat groente te verbouwen waarmee hij deels in zijn primaire levensbehoefte kan voorzien. Desondanks is de armoede groot en neemt zelfs nog toe door rondtrekkende werkzoekers die zich, meestal tevergeefs, in de agrarische sector als dagloner willen verhuren.2
De vroeg industriële baksteenfabricage vertoont qua karakter nauwe verwantschap met de landbouw. De steenovens staan buiten de steden of dorpen en zijn gelijk de boeren en de landarbeiders sterk met de grond verbonden. De nieuwe baksteennijverheid biedt aan werkloze landarbeiders werkgelegenheid. Aanvankelijk komen de steenfabriekarbeiders overwegend uit het agrarische milieu. Het is dan ook geen wonder dat de arbeidsomstandigheden in de baksteenindustrie vergelijkbaar zijn met die van de minste arbeiders en keuters in de landbouw. Het is werken van zonsopgang tot zonsondergang en vaak met inzet van het hele gezin.3 Het lage loon dwingt de steenfabriekarbeider vrouw en kinderen mee te nemen naar de fabriek om zo het karige loon wat aan te vullen.

- de ontwikkeling van de baksteenindustrie in Wageningen

De baksteenfabricage in de uiterwaarden bij Wageningen gaat terug tot de 13e eeuw. In 1240 laat Otto III van Gelre drie ovens bouwen voor bakken van stenen voor de vestingmuren. Mogelijk staan deze ovens in de waard waar nu het jachthaventerrein zich bevindt. De naam van de waard ‘Steenovensweert’ duid op de aanwezigheid van dit laat middeleeuwse bedrijf. Ook in latere eeuwen zijn er steenovens in de uiterwaarden te vinden.4 In 1837 is sprake van een nieuw begin met de oprichting van tweetal bedrijven; de pannen- en estrikenfabriek5 de ‘Phoenix’ in de Nude en een steenfabriek aan de mond van de Rijnhaven, daar waar zich nu de jachthaven bevindt. Dat het echt een nieuw begin is getuigt de opgave die de gemeente aan de provincie doet in 1819: "Fabrieken bestaan er in de gemeente niet dan alleen een aarden- of pottenfabriek, die van weinig aanbelang is."6 Het is J.M. Rosenik, een Wageninger die fortuin heeft gemaakt te Amsterdam, die de steenfabriek ‘De Steenovensweert’ opricht. Na enige jaren verkoopt Rosenik het bedrijf aan ene V.J. van Dolder die zo voortvarend laat afgraven dat de zomerdijk moet worden verlegd en een flink stuk van de waard aan de rivier moet worden prijsgegeven. Over de gevaarlijke situatie die ontstaat schrijft de hoofdingenieur van waterstaat Ferrand aan de gouverneur van de provincie Gelderland: "De kade, die daarenboven zeer slecht gemaakt is, bezwijkende, kan de rivier, geholpen door de gedane uitgravingen binnen de kade, zich over die lage gronden een weg banen, den Grebbedijk tot schaardijk maken, en zal dan het gehele gedeelte van den Benedenpolder van Wageningen door de rivier ingenomen worden".7 In 1843 is de Engelsman Robert Bowles eigenaar van de Steenovensweert. Hij vindt een compagnon in de Waal Joannes Lans. Bowles en Lans stichten samen in 1848 de steenfabriek ‘De Bovenste Polder’. Het compagnonschap houdt slechts enkele jaren stand waarna het bedrijf wordt gesplitst: Bowles wordt eigenaar van De Steenovensweert en Lans krijgt De Bovenste Polder. Gedurende de campagne in de zomermaanden werken bij beide bedrijven gezamenlijk circa 80 mensen. In 1862 vervangt Lans De Bovenste Polder door een nieuwe fabriek. In datzelfde jaar verzet hij zich – zonder succes – tegen de plannen van een Zwolse fabrikant om in ‘De Hooge Waard’ een steenfabriek te vestigen. Lans vraagt in 1875 vergunning om een stoommachine te mogen plaatsen in zijn fabriek. De machine komt er niet of niet in bedrijf, want in het gemeenteregister wordt de stoommachine niet vermeld. Het duurt tot 1880 eer in de Wageningse steenfabricage stoom wordt toegepast. De Steenovensweert heeft de primeur. Het is vermoedelijk de steenpers die van stoomtractie wordt voorzien. Ook de pannenfabriek in De Nude krijgt in 1880 een stoommachine, maar machine blijft koud en wordt niet in bedrijf gesteld.
Tegen het eind van de 19e eeuw komt de Steenovensweert in de problemen. De kleivoorraad bij het bedrijf is uitgeput. De snelle uitputting van de kleivoorraad vindt mede zijn oorzaak in de aanwending van de klei voor het ophogen van de Grebbedijk. In 1909 is de voorraad zo sterk geslonken dat de fabriek moet sluiten. De gemeente Wageningen koopt de grond, of misschien beter gezegd de put. In 1912 kan de jachthaven worden geopend.
De Bovenste Polder met zijn drie veldovens wordt in 1881 overgenomen door H.D. Gideonse die het bedrijf zo’n twintig jaar in bezit zal hebben. Daarna wisselt de fabriek verscheidene malen van eigenaar om in 1921 in het bezit te komen van L.J. Duijs die in 1923 de veldovens laat afbreken en een zigzagringoven in de plaats laat zetten. Aan het bezit van Duijs wordt in 1930 de steenfabriek De Hoge Waard, opgericht in 1862, toegevoegd. In 1876 gaat De Hoge Waard over in handen van het steenfabrikantengeslacht Mijnlieff, die er meer dan vijftig jaar de scepter zal zwaaien. Nadat Duijs de fabriek heeft gekocht laat hij ook hier de veldovens slopen en vervangen door een vlamoven. Tegen het eind van de 19e eeuw komen er nog drie steenfabrieken bij. In 1918 wordt de laatste, gerekend vanaf De Steenovensweert de zevende, steenfabriek van Wageningen in gebruik genomen. Op rij zijn dat in 1881 ‘De Blauwe Kamer’, in 1897 ‘De Plasserwaard’, in 1898 ‘De Maneswaard’ en tot slot in 1918 ‘De Koebongerd’. De Blauwe Kamer maakt een snelle groei door. Telt het bedrijf bij aanvang 40 werklieden in 1886 zijn dat er 95 en zes jaar later zelfs 120. De drie veldovens worden in 1918 vervangen door een ringoven. De Plasserwaard kent twee veldovens en heeft in 1901 96 volwassen mannen en 16 jongens in dienst. De bloei van het bedrijf is slechts van korte duur want een jaar later is het werknemersbestand al gedaald tot 30 mannen en 16 kinderen. De Plasserwaard heeft meer dan de andere steenfabrieken te lijden van de malaise in de bouw. In 1918 zijn er nog slechts 8 werknemers in dienst en in 1920 is het gebeurd met het bedrijf. Als ware het een feniks verrijst tien jaar later op dezelfde plaats een nieuwe steenfabriek met de naam De Plasserwaard. De Maneswaard staat aan de overzijde van de rivier op het enige stukje Betuwe wat tot de gemeente Wageningen behoort. In 1915 telt het bedrijf 115 werknemers. In 1930, twee jaar nadat de vijf veldovens zijn vervangen door een vlamringoven, heeft de Maneswaard een primeur. Als eerste bedrijf in Nederland neemt het een droogpersinstallatie in gebruik. Tegenover de vele voordelen staat het niet verwaarloosbare nadeel dat de kwaliteit van de steen minder is. In de crisisjaren breekt die mindere kwaliteit het bedrijf op, zodat ze in 1936 de poort moet sluiten. De jongste steenfabriek De Koebongerd werkt van aanvang af met een ringoven, die in 1927 wordt gemoderniseerd tot vlamringoven.8

- van veldoven tot ringoven

Nog aan het begin van de 20ste eeuw is de veldoven het algemeen gebruikte oventype in de steenbakkerij. Een veldoven bestaat uit twee zware muren die op enige afstand evenwijdig aan elkaar staan met aan de onderkant tegenover elkaar liggende stookopeningen. Aan de buitenzijde staat tegen elke stookopening een zogenaamde stookhut. Tussen de muren worden, met uitsparing van stookkanalen, de rauwe stenen opgestapeld, waarna de boven-, tussen- en achterzijde wordt afgedekt. Als brandstof wordt steenkool gebruikt, al werd vroeger ook met turf gestookt. Het bakproces in een veldoven bedraagt acht weken. Omstreeks 1900 komt de zogenaamde ringoven in zwang, die economischer kan worden gestookt. De ringoven is een constructie waarin twee lange overwelfde en evenwijdig lopende kanalen aan beide uiteinde met elkaar verbonden zijn door een halfcirkelvormig kanaal. Het geheel vormt op die manier een doorlopende ellips. In de buitenmuur zijn op vaste afstanden poorten aangebracht waardoor de stenen in en uitgekruid kunnen worden. In een ringoven is een continu stook en bakproces mogelijk. Er staan altijd poorten open voor het in dan wel uitkruien van de rauwe of gebakken steen. Een open poort zorgt tevens voor lucht ter afkoeling voor de zojuist gebakken steen. De koele lucht die strijkt over de hete stenen wordt zo voorverwarmd en geleid over de rauwe steen. Het bakproces vindt daardoor meer geleidelijk plaats en er wordt een meer homogene kwaliteit aan baksteen verkregen. Het vuur in een ringoven gaat als het ware rond van kamer tot kamer en zorgt daarmee voor een continu proces.9 De Plasserwaard en De Maneswaard worden in 1897 resp. 1898 nog voorzien van veldovens. De Wageningse steenfabrieken gaan allen tussen 1918 en 1930 over op een ringoven. De Hoge Waard is de laatste die deze modernisering doorvoert. De vlamringoven en de zigzagringoven zijn varianten op de ringoven waarmee een beter rendement kan worden gehaald.

- het steenovenvolk

Het steenovenvolk verkeert zowel letterlijk als figuurlijk aan de rand van de maatschappij. Door armoede, gebrek aan scholing, slechte behuizing en in combinatie daarmee de kinderrijke gezinnen zijn zij een aparte groep afzijdig van de plaatselijke gemeenschap. Hun isolement is wel het sterkst als ze gehuisvest zijn op het fabrieksterrein, maar ook als dat niet het geval is zijn ze gehuisvest in de minste buurten afzijdig van de overige inwoners. De Wageningse steenbakkers wonen in de armoedigste huizen in de Mennonietenbuurt (ten westen van de Costerweg tussen Troelstraweg en Lawickse Allee) en in Lombok (nu Asterstraat e.o.). Wie overigens denkt dat de arbeiders die wonen bij de steenfabriek goedkoper uit zijn heeft het mis. Voor de tien woningen die op het terrein van De Blauwe Kamer staan wordt É1,00 per week huur gerekend, met inbegrip van de huisbrandkolen "anders stelen ze die toch maar" aldus de steenfabrikant A.J. Bos.10
De gezeten burger houdt zich in de regel verre van het steenovenvolk en ook de gemeentebesturen zijn niet blij met hun aanwezigheid. De aanwezigheid van een omvangrijke groep steenarbeiders gaat gepaard met veel armoede, die vooral in de winter een aanzienlijke aanslag doet op de armenkas.11 De wel zeer cynische uitspraak van de steenfabrikant A.N. Costerus spreekt boekdelen "Arbeiders moest je ‘s winters, net als bieten, in kunnen kuilen".
De arbeidsduur is aan het begin van de 20ste eeuw nog vrijwel ongelimiteerd en van kinderarbeid is nog veelvuldig sprake. Arbeidstijdverkorting is dan ook vanzelfsprekend een van de hoofdpunten in het streven van de arbeidersbeweging. Politiek en vakbeweging gaan hand in hand om tot verbetering te komen. Het SDAP kamerlid Jan Schaper dient op 24 december 1906 een motie in:

"De Kamer, van oordeel dat, naast de grootst mogelijke beperking van den nachtarbeid en betere bescherming van kinderen en jeugdige personen, de wettelijke beperking van den arbeidsduur voor alle volwassen arbeiders, en wel tot tien uren per etmaal, gewenscht is, gaat over tot de orde van de dag."

De behandeling van de motie in de Tweede Kamer wordt almaar uitgesteld. De minister van Landbouw, Nijverheid en Handel wint ondertussen advies in terzake de arbeidsduur en wat daarmee samenhangt. Natuurlijk zijn bij deze advisering geen werklieden betrokken en om tegenwicht te geven wordt door de SDAP en het NVV gezamenlijk een enquête ingesteld onder de werkliedenverenigingen met als doel gegevens te verzamelen over de arbeidsduur, nachtarbeid en vrouwen- en kinderarbeid. De resultaten van de enquête worden in 1908 gepubliceerd.12
Door de Wageningse vereniging van steenbakkers wordt aan de enquête deelgenomen en daaraan danken we de volgende informatie. Bij de zes Wageningse steenfabrieken werken in 1907 gezamenlijk 340 mannen en 15 vrouwen. Volgens de opgave werken er geen kinderen. De Wageningse steenbakkers werken gemiddeld 11 uur per dag. De arbeidsdag vangt aan om 5.00 uur en eindigt om 19.00 uur en wordt 4 á 5 maal onderbroken voor een schaft. Twee mannen moeten gedurende nacht de oven stoken. Er wordt gewerkt in een roulatiesysteem zodat om de vijfdagen twee man een nacht door moet werken. Gedurende de helft van het jaar wordt ook op zondag gewerkt. Gedurende de zomermaanden is er dus sprake van een werkweek van 77 uur. Diegene die een nacht moet doorstaan om de oven te stoken werkt zelfs meer dan 85 uur. Het uurloon in de zomermaanden is 9 cent per uur. Voor een ‘normale’ zomerse werkweek van 77 uur ontvangt een volwassen steenbakker derhalve de ‘vorstelijke’ beloning van É6,93. De stokers krijgen voor de nachtelijke uren 2 cent per uur meer. Vrouwen verdienen per uur 6 cent.
Niet alleen de duur van de arbeidsdag, maar ook de aard van het werk maakt dat het werk op een steenfabriek zwaar en schier ondragelijk is. Het is handwerk en daar brengt ook de mechanisatie aanvankelijk weinig verandering in.

- verzet

Lange werktijden, lage lonen en slechte werk en leefomstandigheden maken, dat ondanks hun zwakke positie, de werklieden in de baksteenindustrie tot protest en verzet komen. Met regelmaat is er sprake van arbeidsonrust bij een of meer van de steenovens. De meeste stakingen die voor 1920 plaats vinden gaan verloren. Ongeschoold en zonder behoorlijke leiding is het steenovenvolk in een conflict met hun werkgever in een nadelige positie. De staking verontrust de fabrikant niet of nauwelijks. Het ongeschoolde personeel vervangen is bij een ruime arbeidsmarkt een kwestie van hooguit een dag. Een arbeidsconflict waarbij het personeel deels of geheel het werk neerlegt wordt door de fabrikant vaak niet gezien als een staking. Naar zijn opvatting is het gewoon werkweigering en ontslaat hij de stakers op staande voet.13 Ontslag is sowieso een sanctiemaatregel. Het ‘de dijk’ opsturen is dan ook een gevleugelde uitdrukking. Het is zelden dat het gehele personeel van een fabriek in staking gaat, meestal betreft het kleine groepjes als kruiers, gravers of vormers. Eendracht is er zelden. Het aantal georganiseerde is gering en zijn de directe financiële belangen te divers. In de driekwart eeuw die verloopt tussen 1890 en 1966 vinden er, voorzover kan worden nagegaan, 26 stakingen plaats bij de Wageningse steenfabrieken. De eerste staking vindt plaats in 1890 bij De Bovenste Polder en de laatste in 1966 bij De Koebongerd. Het omvangrijkst zijn de stakingen in het begin van de jaren twintig van de 20ste eeuw. Het merendeel van de conflicten gaan over loon, zowel ter verbetering als in verdediging tegen loonsverlaging.
Op 16 april 1890 gaan de werklieden bij de Bovenste Polder in staking. Naar het zich laat aanzien is het een spontane uitbarsting zonder een directe aanleiding. De eis van de stakers is loonsverhoging. Na een dag wordt de staking zonder resultaat alweer opgeheven. Vermoedelijk heeft de werkgever, H.D. Gideonse, de stakers ontslagen en is dat voor de meeste genoeg aanleiding om de strijd op te geven. Tien van hen keren niet op het bedrijf terug. Of dat is omdat de werkgever ze niet meer in dienst neemt of dat ze zelf hun heil ergens anders zoeken is niet bekend.14
Het is opnieuw de Bovenste Polder waar op 22 april 1906 een staking uitbreekt. De staking is een verzet tegen een afgekondigde loonsverlaging van 2,5 cent de duizend stenen (van 15 naar 12,5 cent) als er vanaf de wal gekruid moet worden en met 5 cent de duizend als er over de krib moet worden gekruid (van 35 naar 30 cent).15 De staking begint onder de 12 man sterke kruiersploeg. Twee dagen later breidt de staking zich uit. De werkgever geeft opdracht aan de gravers en vormers om het kruiwerk te doen, maar deze weigeren dat en gaan ook in staking. In totaal staken er dan 31 werknemers. Op 10 mei wordt de staking volledig als ook de laatste zeven werknemers die nog werken weigeren het kruiwerk en ook in staking gaan. Er bestaat nog steeds geen organisatie onder de steenfabriekarbeiders in Wageningen, die de staking kan steunen. Het NVV, nog geen halfjaar oud, steunt in de regel geen staking die niet met haar instemming is gestart en dan nog uitsluitend de eigen leden. Slechts bij uitzondering wordt aan ongeorganiseerde groepen steun verleend. Zo ‘n uitzondering vormt deze staking. De werklieden van de Bovenste Polder krijgen die steun, omdat het een groep werknemers betreft "onder wie toen nog geen organisatie bestond."16 Na 25 dagen staken wordt door de werkgever de loonsverlaging ingetrokken en gaan de werklieden weer aan de slag. De eensgezindheid onder de werknemers en de steun van een vakorganisatie zorgen voor een voor de werknemers succesvolle afloop.
Nog tijdens de staking bij De Bovenste Polder is er ook sprake van arbeidsonrust op de Maneswaard. De sjouwers komen in verzet tegen de personele onderbezetting. Door de lage waterstand kunnen de schepen niet dicht genoeg bij de fabriek komen en moet de kruier ver lopen met zijn kruiwagen beladen met steenkool. De tweede eis is een loonsverhoging. Op 10 mei staken de kruiers, maar nog diezelfde dag verloopt de strijd zonder dat enig succes is geboekt.17

- Eendracht Maakt Macht

De organisatie van werknemers komt op het platteland trager op gang dan in de steden. Belemmeringen zijn een trage en gebrekkige communicatie, maar ook de plaatselijke normen en gewoonten. Het moeilijkst te organiseren zijn de ongeschoolde arbeiders. Vaak werken zij in een los dienstverband of zijn slechts gebonden voor een seizoen. Het is een heterogene steeds wisselende groep van werklieden afkomstig van het platteland met een lethargische levenshouding vol ongeloof en scepsis die niet of slechts met grote aarzeling tot organisatie zijn te brengen. In De Voorpost, het vakblad van de R.K. Steenfabrieksarbeidersbond ‘St. Stephanus’ schets voorzitter Hendrik Braam de situatie van vóór 1916 zeer kernachtig:
"De organisatie had reeds een groot gedeelte van onze arbeidende bevolking bereikt, toen er nog een groep arbeiders slaafden en zwoegden in de steenindustrie, die van het vereenigingsleven niet het minste begrip hadden."
De eerste poging tot organisatie onder de steenovenarbeiders in Wageningen en Renkum zien we in 1902 als tijdens een staking bij Costerus te Renkum de Vereeniging van Steenbakkers en Pannenbakkersgezellen ‘Eendracht Maakt Macht’ wordt opgericht. De staking omvat 41 werknemers en duurt drie dagen. De staking gaat verloren, wat wil zeggen dat de aangekondigde loonsverlaging, als gevolg van de aanschaf van nieuwe machines, wordt doorgevoerd.18
De vereniging leidt een sluimerend bestaan tot in 1906 de al eerder genoemde staking bij de Bovenste Polder uitbreekt. Het is deze staking die de aanleiding is tot het oprichten van de Nederlandsche Bond van Steen- en Pannenbakkers met Wageningen als zetel. Naast afdelingen in Renkum en Wageningen ontstaan in de loop van 1906 nog afdelingen in Heerewaarden, Velp en Rheden. Eind 1906 kent de bond circa 300 leden waarvan 160 te Wageningen. Het doel van de bond is: "De behartiging van de belangen van alle steen- en pannenbakkers en aanverwante vakgenoten in Nederland, zowel vrouwen als mannen. De contributie is tien cent per week. Drie cent gaat naar de weerstandskas, twee cent wordt afgedragen aan het hoofdbestuur en vijf cent is voor het functioneren van de afdeling zelf. Na de aanvankelijke aanwas in 1906 groeit de bond niet meer. In 1907 vormt ze samen met de Nederlandsche Glasblazersbond de Nederlandsche Vereeniging van Glas- en Aardewerkers (NVvGA), die zich op 1 januari 1908 aansluit bij het NVV.
Volgens een opgave in de Staatscourant in 1906 komt er in dat jaar ook een Rooms-Katholieke organisatie van steenfabriekarbeiders in Wageningen tot stand. Van deze organisatie zijn geen nadere gegevens bekend. Naar het schijnt gaat ze in 1916 op in de in dat jaar opgerichte Nederlandschen Rooms-Katholieke Steenfabrieksarbeiders ‘St. Stephanus’. Zeker is dat niet want in De Voorpost, het vakblad van St. Stephanus, komen we de afdeling Wageningen voor het eerst in 1919 tegen. De afdeling telt in dat jaar welgeteld drie leden! Een jaar later zijn dat er echter al tien.19

- Anthonius Johannes Winterink

Een volhardend man in vakorganisatie en partij, dat mag je Toon Winterink wel noemen. Hij is de pionier van de organisatie van werknemers in de baksteenindustrie in Gelderland. Met veel vallen en opstaan slaagt hij er uiteindelijk in het steenovenvolk tot duurzame organisatie te brengen. Winterink is op 24 juli 1880 geboren te Rheden. Tot zijn elfde volgt hij onderwijs, maar dan is het werken geblazen op de steenfabriek. De jonge Winterink is niet tevreden met zijn kennis en volgt een algemene tuinbouwopleiding op de avondschool. De plattelandsomgeving waar hij opgroeit zal deze keus wel in de hand hebben gewerkt. De tuinbouwopleiding helpt hem echter niet om aan het werk op de steenfabriek te ontkomen. In 1906 komt op zijn initiatief de steenbakkersvereniging Sta Pal tot stand. Een jaar later sluit Sta Pal zich aan bij de zojuist opgerichte Algemeene Vereeniging voor Glas- en Aardewerkers (NVvGA). Winterink komt door deze aansluiting in het hoofdbestuur van de NVvGA. Het organiseren van steenfabriekarbeiders verloopt moeizaam en de NVvGA is in deze beroepsgroep niet erg succesvol. Sta Pal redt het niet en gaat in 1909 ter ziele. Het is waarschijnlijk Winterink die in het vakblad20 zuur constateert "dat de arbeiders de twaalf cent voor de contributie liever besteden aan de drank."
Op 26 maart 1911 komen in Wageningen een twaaftal werknemers bijeen om de situatie in de baksteenindustrie te bespreken. Onder het twaalftal bevinden zich naast Winterink, de voorzitter van de NVvGA S.P. Baart en J. Oudegeest en J. van der Tempel, voorzitter en secretaris van het NVV. De conclusie van het twaalftal is dat er een afzonderlijke organisatie moet komen voor de steenfabriekarbeiders. Gehoopt wordt dat een afzonderlijke organisatie wel zal slagen de steenbakkers te organiseren, daar waar de NVvGA, die meerdere beroepsgroepen tot zijn werkterrein rekent niet is geslaagd. Er wordt een voorlopig bestuur gevormd met Winterink als secretaris. De werkgever van Winterink, steenfabriek De Groot in Rheden, gooit echter roet in het eten door Winterink te ontslaan. Het ontslag kent geen ander motief dan dat de werkgever de vakbondsactiviteiten van Winterink niet ziet zitten. Op het werk van Winterink op de fabriek kan hij niets aanmerken. De collega’s van Winterink gaan in staking met als doel het ontslag ongedaan te maken. Door gebrek aan organisatie is er geen weerstandkas. Er moet met steunlijsten worden gewerkt, maar die brengen onvoldoende op, zodat het NVV moet bijpassen om de stakers van een uitkering te voorzien. De staking gaat verloren. De nieuwe organisatie voor steenfabriekarbeiders wordt in de kiem gesmoord.
In 1917 treedt Winterink in dienst van de Nederlandsche Vereeniging van Fabrieksarbeiders (NVvFA) met als speciale opdracht de steenbakkers te organiseren. Het werkterrein van de steenfabrieken is daarmee verschoven van de NVvGA naar de NVvFA. Beide organisaties zijn zusterorganisaties aangesloten bij het NVV. Winterink en de NVvFA slagen in hun missie. Vanaf 1918 krijgt de organisatie onder de steenfabriekarbeiders vaste grond onder de voeten. Een aantal factoren spelen daarbij een rol. Met de overgang van veldoven naar ringoven wordt de werkgelegenheid die de bedrijfstak biedt meer stabiel, er kan nu gedurende het hele jaar worden gewerkt. De werkgevers in de baksteenindustrie hebben zich inmiddels hecht aaneengesloten, waardoor het besef van een gemeenschappelijke ‘vijand’ ontstaat en aan werknemerszijde de behoefte groeit om tegenwicht te kunnen bieden. De NVvFA die dan al een organisatie is met meer dan 9.000 leden kan dat tegenwicht bieden. In 1918 reist Winterink het land af om openbare bijeenkomsten met steenbakkers toe te spreken. De bijeenkomsten worden goed bezocht en slagen in hun doel: de organisatie versterken. Ook de afdeling Wageningen van de Nederlandsche Vereeniging van Fabrieksarbeiders dateert uit die tijd. Winterink is naast zijn vakbondsactiviteiten ook actief in de politiek. Hij is medeoprichter van de SDAP te Rheden, die er in 1917 in slaagt om twee zetels in de gemeenteraad te veroveren. Vier jaar later levert dat hem zelfs een wethouderspost op. Winterink blijft werkzaam voor de vakbeweging tot 1940. In dat jaar treedt hij terug.21

- wie (tegen)spreekt zal ook niet eten

Actievoerders lopen een groot risico om ontslagen te worden. Dat er in Wageningen desondanks acties en stakingen zijn gevoerd toont de wanhoop aan waaronder het steenovenvolk leeft en werkt. De eisen van de stakers zijn in de regel bescheiden. De helft van alle stakingen kent geen groter eis dan behoudt van loon. En als er al sprake is van een eis tot loonsverhoging dan is dat vaak een reactie op de wens van de fabrikant dat er meer moet worden gepresteerd voor hetzelfde loon. Ontslag van een steenfabriekarbeider heeft verstrekkende gevolgen voor hem en zijn gezin. Meestal werken vrouw en kinderen mee op dezelfde fabriek. Met zijn ontslag kunnen die ook vertrekken. Als de betrokkene ook nog in een huis van de baas woont staat hij bovendien ook nog op straat. Het is tegen deze achtergrond waarin de langstdurende staking in Wageningen moet worden geplaatst. Op 11 november 1907 leggen 14 werknemers bij de Steenovensweert het werk neer uit protest tegen het ontslag van een collega. Eigenlijk kent dit conflict nog een prelude in een soortgelijk conflict bij de Bovenste Polder in oktober. Twee kruiers die woordvoeder zijn namens de hele groep kruiers worden om dat feit alleen ontslagen. De overige 12 kruiers gaan daarop in staking, maar hoewel er na 12 dagen staken een loonsverhoging van 5 cent per ton geloste steenkool uit het conflict voortkomt blijven de twee kruiers ontslagen.
De staking bij de Steenovensweert, die 187 dagen duurt gaat ondanks de vastberadenheid van de stakers verloren. De hoofdeis, intrekken van het ontslag van de ontslagen werkman wordt door J.C. de Ridder, de eigenaar van het bedrijf, geweigerd. Ook de secundaire eis van loonsverhoging haalt het niet en de werknemers gaan na ruim een half jaar staken onverrichter zaken weer aan het werk.
In het onrustige jaar 1907 is er eveneens in november nog een staking bij de Maneswaard met als doel een loonsverhoging af te dwingen. De 13 stakers geven het na zes dagen op zonder resultaat.
Tornen aan het gezag van de baas is voor hen net zoiets als vloeken in de kerk. Na afloop van de staking in 1906 bij Costerus in Renkum verschijnt er in het werkgeversblad De Nederlandsche Klei-Industrie een ingezonden brief waarin ongezouten wordt weergegeven waar de werknemers horen te staan en vooral waar ze moeten blijven staan: pet in de hand, nederig een verzoek indienen en verder maar afwachten.

 

quot;Het gezag, hier gaat niets vanaf, moet hoog gehouden worden. Als het zoo ver mocht komen dat de arbeiders baas werden en deze de lakens uitdeelden, dan kunnen de patroons er het bijltje wel bij neerleggen, maar laat het aan de arbeiders nu en in het vervolg gezegd zijn, dan zullen de laatste de dupe worden. Hebben de arbeiders rechtmatige grieven, hetgeen ons in casu niet bekend is, welnu, dat zij op deze betamelijke wijze ter kennis brengen en dan twijfelen wij niet of die grieven zullen behoorlijk overwogen en zoo mogelijk uit den weg worden geruimd."

 

Het recht op organisatie is in de baksteenindustrie nog lang niet erkend en het zal nog een groot aantal jaren duren voordat de arbeidsvoorwaarden door middel van een cao worden geregeld.

- de roerige jaren twintig

De baksteenindustrie blijft de meest roerige bedrijfstak in de gemeente Wageningen. Welhaast elk jaar is er wel een conflict op de een of andere steenfabriek. Het onrustigste jaar is wel 1923. Gelijk al na nieuwjaar zit bij de Blauwe Kamer de kat in de gordijnen. Door een technische verandering in de bedrijfsvoering moeten nu vijf man in plaats van zeven zorgen voor de verwerking van de stenen. Deze werkverzwaring wordt niet geaccepteerd en het personeel 26 man sterk gaat in staking. De staking duurt 46 dagen, maar moet zonder resultaat worden opgegeven.
Wellicht de omvangrijkste staking in de Gelderse baksteenindustrie is die van 1923. Het verhaal begint in Olburgen (gem. Steenderen) bij de steenfabriek Hoppe & van der Loo. Op 5 maart gaan 45 werknemers spontaan in staking tegen een afgekondigde loonsverlaging in de bedrijfstak. De eenzijdig afgekondigde maatregelen zijn dan ook niet mis: 25 tot 40% loonsverlaging en vijf uur per week langer werken. Hoewel de staking spontaan uitbreekt ligt de leiding van de acties bij de Nederlandsche Vereeniging van Fabrieksarbeiders, die aan het eind van de acties met 1149 leden is betrokken.
Als blijkt dat na twee weken de stakers niet van plan zijn hun actie te stoppen komt er een tegenactie van werkgeverskant. Bij dertien bedrijven, met circa 1.000 werknemers, wordt uitsluiting toegepast. Dat leidt van werknemerszijde tot de reactie om nog 200 werknemers in staking te brengen. De reactie van werkgeverszijde is ingegeven door een afspraak die ze onderling hebben gemaakt in februari 1923, bij toeval dus vlak voor het uitbreken van deze staking, om in geval van staking bij een van hen de anderen tot uitsluiting zullen overgaan.
Het patroon van actie (uitsluiting) en reactie (staking) herhaalt zich op 9 april. Nu worden er bij dertien bedrijven 250 werknemers uitgesloten en 600 werknemers gaan in staking. Drie weken later, het heeft iets eentonigs, breiden beide partijen de acties nogmaals uit: uitsluiting elf bedrijven, 350 werknemers, staking elf bedrijven met 650 werknemers. Ondertussen zijn ook drie Wageningse bedrijven: De Bovenste Polder, De Blauwe kamer en De Koebongerd in staking. Het totaal aantal werknemers wat bij de acties is betrokken bedraagt dan circa 3.000 bij zo’n 25 bedrijven. Deze bizarre strijd eindigt op 30 april met de afspraak dat om arbitrage gevraagd zal worden. De arbitrage uitkomst is een loonsverlaging van 10 á 15 % en geen werktijdverlenging. Nog altijd een stevige ingreep in het loon, maar heel wat bescheidener dan het werkgevers voorstel. Opmerkelijk is wel dat een jaar later in de onderhandelingen voor een nieuwe cao de loonsverlaging weer geheel ongedaan kan worden gemaakt.22

  • A.W. van de Bunt, Wageningen/Rheden (Baarn 1969) p. 59
  • G.B. Janssen, Baksteenfabricage in Nederland 1850-1920 (Arnhem 1987) p. 328
  • C.D. Gast, Van kloostermop tot straatklinker: een beknopt overzicht van de baksteennijverheid in Wageningen (Wageningen 1996) p. 38-39
  • A.D. Benjamins, Geschiedenis van de steenfabrieken in Wageningen. Een overzicht (Wageningen 1991) p. 2
  • Met pannen wordt bedoeld: dakpannen. Een estrik is een gebakken vloertegel of plavuis.
  • A.D. Benjamins, Geschiedenis van de steenfabrieken in Wageningen. Een overzicht (Wageningen 1991) p. 4
  • A.D. Benjamins, Geschiedenis van de steenfabrieken in Wageningen. Een overzicht (Wageningen 1991) p. 5
  • C.D. Gast, Van kloostermop tot straatklinker: een beknopt overzicht van de baksteennijverheid in Wageningen (Wageningen 1996) p. 23-38
  • D. Nas, Ingeklemd. Historische schetsen uit de Velpse afdeling van de Industriebond FNV (Rheden 1986) p. 19-20
  • G.B. Janssen, Baksteenfabricage in Nederland 1850-1920 (Arnhem 1987) p.445
  • C.D. Gast, Van kloostermop tot straatklinker: een beknopt overzicht van de baksteennijverheid in Wageningen (Wageningen 1996) p. 42-43
  • I.G. Keesing en J. v.d. Tempel, Arbeidersleven in Nederland (Amsterdam 1908) p. 21-29
  • G.B. Janssen, Baksteenfabricage in Nederland 1850-1920 (Arnhem 1987) p.486-487
  • S. van der Velden, Stakingen in Nederland 1810-1999 (Amsterdam 1999) (CD-rom)
  • Wageningse Courant (25 april 1906)
  • J. Oudegeest, De geschiedenis der zelfstandige vakbeweging in Nederland (Amsterdam 1932) deel 2, p. 16
  • S. van der Velden, Stakingen in Nederland 1810-1999 (Amsterdam 1999) (CD-rom)
  • S. van der Velden, Stakingen in Nederland 1810-1999 (Amsterdam 1999) (CD-rom)
  • De Voorpost. Orgaan van de Nederlandschen R.K. Steenfabrieksarbeidersbond onder patronaat van St. Stephanus (5e jaargang 1920) No. 6 p. 2, No. 8 p. 2
  • De Glas- en Aardewerker. Orgaan van de Nederlandsche Vereeniging van Glas en Aardewerkers (juli 1909)
  • D. Nas, Ingeklemd. Historische schetsen uit de Velpse afdeling van de Industriebond FNV (Rheden 1986)
  • Verslag der verrichtingen en overzicht van den toestand over de jaren 1923-1924 van de Nederlandsche Vereeniging van Fabrieksarbeiders (Amsterdam 1925) p. 5