Vergersweg 22- 24, 6707 HT Wageningen T: 0317- 416090

Ieder vak een eigen bond

- vaktrots

De bonden van sigarenmakers, steenbakkers en grafici zijn tot ver na de Tweede Wereldoorlog de omvangrijkste, daarna wordt die rol overgenomen door de Ambtenarenbond. Ook in de meeste andere vakken, ook al zijn er maar een gering aantal werknemers in werkzaam, is er wel een organisatie in Wageningen geweest. De naam vakorganisatie moet lange tijd letterlijk worden genomen als organisatie per vak. Veelal zijn ze klein, soms maar voor een enkel bedrijf. Op een of andere wijze spelen zij toch hun rol in het georganiseerde leven ook al laten ze daarvan niet al te veel sporen na. Dat elk vak wel zijn eigen bond(je) kent is maar al te vaak te verklaren uit een vorm van vaktrots en natuurlijk ook uit een gevoel van eigenheid. Samenwerking en solidariteit spelen een voorname rol, maar dat wordt nog allerminst vertaald in een samengaan met andere vakken in één en dezelfde organisatie.
Er zijn een tweetal perioden, waarin de moderne vakorganisatie in Wageningen tot stand komt. In de periode 1909-1910 verenigen zich: typografen, meubelmakers en steenovenarbeiders. De overige afdelingen van landelijke organisaties stammen uit 1916-1918. Rond 1930 zijn bij de Wageningse Bestuurdersbond veertien vakorganisaties aangesloten met in totaal 985 leden.1

- meubelmakers

Onder de meubelmakers vinden wij de oudste vakverenigingen in ons land. Reeds in 1871 is er sprake van een landelijke organisatie de Nederlandsche Meubelmakersbond die aangesloten is bij het Algemeen Nederlandsch Werklieden Verbond (ANWV). In 1893, de naam van de bond luidt dan Algemeene Meubelmakersbond, is ze aangesloten bij het Nationaal Arbeidssecretariaat (NAS). Nadat de Nederlandsche Behangers-, Stoffeerders- en Beddenmakersbond zich in 1908 bij de meubelmakers aansluit wordt de naam van de organisatie: Algemeene Nederlandsche Bond van Meubelmakers, Behangers en Aanverwante vakgenoten (ANBM). In Wageningen is in 1896 sprake van afdeling van de ANBM. Deze afdeling zal wel niet lang hebben bestaan aangezien er in 1902 sprake is van een nieuw opgerichte afdeling. In dat jaar komt een arbeidscontract voor de meubelindustrie tot stand die de meubelmakers werkzaam bij de firma Voogd beweegt tot oprichting van een personeelsvereniging. Spoedig na oprichting gaan er stemmen op om zich aan te sluiten bij de ANBM. Na enkele ledenvergaderingen, die vooral gaan over de contributie hoogte wordt besloten tot aansluiting. Ook dit keer houdt de afdeling van de ANBM het niet lang uit. In 1906 wordt de afdeling opgeheven wegens gebrek aan actieve leden. In 1912 komt wederom een afdeling tot stand die duurzaam blijkt. Er worden nu ook enkele meubelmakers lid die niet werkzaam zijn bij de Nederlandsche Stoommeubelfabriek en Houtdraaierij van Voogd. Al in 1896 wordt het bedrijf genoemd in de gemeenteverslagen. Er werken dan 40 mannen en 9 jongens. In 1920 telt de bond in Wageningen 59 leden. In 1930 werken in Wageningen 132 werklieden in de houtbewerking bij zes bedrijven, waarvan 72 bij de Nederlandse Meubelindustrie.
De organisatie van Rooms-Katholieke meubelmakers is van jongere datum. De Nederlandsche R.K. Bond van Meubelmakers, behangers, stoffeerders en Aanverwante vakgenoten ‘Sint Antonius van Padua’ ziet het licht in 1910 en maakt onderdeel uit van het RK Vakbureau. In 1920 komen we voor het eerst een vermelding tegen van een afdeling van St. Antonius van Padua in Wageningen. De afdeling telt dan zeven leden.2 In 1920 moeten de meubelmakers een stevige strijd voeren, nadat in 1917 de eerste landelijke cao is afgesloten met een looptijd van drie jaar, om tot een nieuwe cao te komen. De tegenstellingen tussen werkgevers en werknemers ten aanzien van de lonen, arbeidstijden en vakantie zijn zo groot dat in Amsterdam stakingen uitbreken die door de werkgevers worden beantwoord met een landelijke uitsluiting. Na een staking die een maand duurt wordt een nieuwe cao afgesloten. De lonen stijgen met 15 cent per uur. De arbeidsweek wordt formeel op 45 uur gebracht, terwijl een ziekengeld regeling wordt afgesproken van 70% gedurende 13 weken. Wageningen blijft in 1920 buiten het conflict. De meubelmakerspatroons geven kennelijk geen gehoor aan de oproep tot uitsluiting of zijn niet bij een werkgeversorganisatie aangesloten. Drie jaar later vindt er onder de meubelmakers opnieuw een omvangrijk conflict plaats. In maart 1923 breekt een staking uit nadat de onderhandelingen voor een nieuwe cao zijn mislukt. Voornaamste struikelblok is de door de werkgevers voorgestelde loonsverlaging. Daarnaast spelen verlangens van arbeidsduurverkorting en vakantie een rol. Ruim 2.000 meubelmakers bij 158 bedrijven zijn bij de staking betrokken waaronder die te Wageningen. De staking die gesteund wordt door de ANBM en St. Antonius van Padua duurt 35 dagen, maar gaat verloren. De loonsverlaging wordt doorgevoerd.3

- timmerlieden, metselaars en opperlieden

De Algemeene Nederlandse Bouwarbeidersbond (ANB) is het resultaat van een fusie op 1 januari 1920 tussen de Algemeene Nederlandsche Timmerliedenbond (ANTB) en de Centrale Bond van Bouwvakarbeiders. De laatste is ook het resultaat van een fusie en wel in 1912 tussen de Centrale Bond van Metselaars en Opperlieden (CBMO) en de Algemeene Nederlandsche Steenhouwersbond. Aangezien in Wageningen zowel van de Timmerliedenbond als van de Centrale Bond een afdeling bestaat, is er vanaf 1920 door fusie een afdeling Wageningen van de ANB. In 1932 telt de ANB in Wageningen 108 leden.4
Al in 1896 is er sprake van een Timmerliedenvereeniging in Wageningen die aangesloten is bij de ANTB. De ANTB is opgericht in 1892 min of meer als voortzetting van de Nederlandsche Timmerliedenbond die het levenslicht zag in 1875. Aangezien de eerste vermelding nadrukkelijk spreekt van een Timmerliedenvereeniging te Wageningen, is het aannemelijk dat deze vereniging als zelfstandige vereniging is opgericht en zich eerst later aansluit bij de landelijke organisatie en zo hiervan de afdeling Wageningen wordt. Mogelijk vindt de aansluiting plaats op 12 november 1902. De Timmerman, het orgaan van de ANTB, maakt in dat jaar in het decembernummer melding van een nieuwe afdeling te Wageningen. In 1909 telt de afdeling 22, drie jaar later 28 leden. De ANTB kent een ondersteuningsfonds bij overlijden. De afdelingen van de bond kunnen zich bij dit fonds aansluiten na besluit van de afdelingsledenvergadering. Het fonds werkt als een omslagstelsel, dat wil zeggen als een van de deelnemers overlijdt dan moeten de andere leden een bijdrage in de kosten betalen. De bijdrage in 1903 is f 0,10 per deelnemer per overlijden blijkens een bericht in De Timmerman. De afrekening gaat via de afdelingen. De wanbetalers worden openlijk in de krant gemaand tot betaling en de niet deelnemende afdelingen, onder wie Wageningen, worden opgeroepen deel te nemen.5
De afdeling van de CBMO is opgericht op 13 februari 1904. In het oprichtingsjaar telt de bond in Wageningen 12 leden. Zes jaar later, in 1910, zijn dat er 15.
De Nederlandsche Rooms-Katholieke Bouwarbeidersbond ‘St. Joseph’ kent vanaf 1917 een afdeling in Wageningen. In 1919 telt de afdeling 28 leden. De groep timmerlieden is met 15 leden het sterkst vertegenwoordigd. Verder zijn er nog 6 schilders, 5 metselaars en 2 opperlieden lid. In 1930 heeft St. Joseph 50 leden.6
De timmerlieden zijn in de bouw de best betaalde krachten al is dat ook geen vetpot. Schilders verdienen in de regel twee cent per uur minder en metselaars en opperlieden vijf cent. Aan het eind van de 19e eeuw verdient een timmerman 20 cent per uur. De werkdag bedraagt 12 uur en de werkweek zes dagen. Door de lange werktijd kan hij dus aan een weekloon komen van ruim f 14 en dat is voor die tijd zeker geen gering bedrag. Je moet er wel lang voor werken en je moet wel werk hebben. Er kan vaak vele weken achtereen niet gewerkt worden vanwege slecht weer. En geen werk is ook geen verdiensten. In 1894 treden gemeentelijke bestekbepaling in werking waardoor de werkdag wordt verkort tot 11 uur. Aangenomen wordt dat dit in de particuliere bouw zijn uitwerking niet zal hebben gemist. Consequentie is wel dat er zes uur minder wordt gewerkt en dat dat ook zes uur minder inkomen betekent. In 1900 wordt in Amsterdam overeengekomen dat de werkdag 10 uur duurt en dat op zaterdag korter wordt gewerkt. Als op 1 mei 1908 de eerste cao in het bouwbedrijf in werking treedt, wordt de werkdag in de zomer op tien uur bepaald en in de winter op negen uur.7

- schilders

In de zomermaanden wordt door de schilders 12 uur en in de wintermaanden gedurende 7 uur per dag gewerkt. Een schilder heeft nu eenmaal daglicht nodig om zijn arbeid te kunnen verrichten. In de zomer is de aanvang van de werkdag om 5.30 uur en in de winter om 8 uur. Het einde van de werkdag is om 19.00 resp. 16.00 uur. De schafttijden zijn van 8.30 tot 9.00 uur en van 12.00 tot 13.00 uur. Overwerk en nachtarbeid vinden slechts incidenteel plaats en als het al gebeurt wordt er een overwerkvergoeding betaald van 10%.8 Deze informatie over de arbeidsomstandigheden in het schildersvak te Wageningen is te vinden in Arbeidersleven in Nederland, een uitgave waarin de resultaten van een enquête over arbeidstijden en vrouwen en kinderarbeid, gehouden in 1907, is verwerkt. Een van de auteurs van het boekje is Jan van de Tempel, niet toevallig ook voorman van de Nederlandsche Schildersgezellenbond, hernieuwd opgericht op 1 januari 1905. Doordat de Schildersgezellevereeniging ‘Verbetering’ te Wageningen, opgericht op 19 oktober 1902, zich onmiddellijk aansluit bestaat er vanaf diezelfde datum ook een afdeling van de bond in Wageningen met 23 leden.9
In 1913 komt op initiatief van de Schildersgezellenbond besprekingen op gang met de CBMO met het doel samen een nieuwe organisatie te gaan vormen. De fusiebesprekingen mislukken waardoor de schildersgezellen een zelfstandige organisatie behouden, totdat ze in 1940 door de bezetter gedwongen worden tot fusie met de ANB.

- staking bij de Wageningse bouwbedrijven

In het voorjaar van 1924 willen de gezamenlijke bonden in het bouwbedrijf de cao van toepassing in Wageningen niet ongewijzigd voortzetten. De patroons reageren daarop met voorstellen om het lopende contract wel ongewijzigd voort te zetten tot het einde van het jaar. Het voorstel is al te doorzichtig. In de winter is er in de bouw weinig werk en hebben de werknemers weinig drukmiddelen om een goed onderhandelingsresultaat af te dwingen. Ongeorganiseerde patroons lijken wel bereid op de voorwaarden van de bonden in te gaan. Een ultimatum wordt gesteld. De eis is een nieuwe cao waarin de lonen per uur voor geschoolden op 65 en die voor ongeschoolden op 60 cent wordt gebracht. De uurlonen zijn dan weer van gelijk niveau als in het landelijke contract. Op 19 mei breekt de staking uit bij de georganiseerde patroons. Er zijn 54 stakers: 32 zijn lid van de Algemeene Nederlandsche Bouwarbeidersbond, 11 van de R.K.-bouwarbeidersbond en 2 van de Nederlandsche Christelijke Bouwarbeidersbond. De overige zijn lid van de fabrieks- en transportarbeidersorganisaties. De poging van de Rijksbemiddelaar, oud-minister IJsselstein, mislukt. Het voorstel van de bemiddelaar om de werknemers schadeloos te stellen wordt door zowel de werknemers als de werkgevers afgewezen. Bij de werknemers is er gebrek aan vertrouwen dat de werkgevers deze schadeloosstelling ook daadwerkelijk zullen betalen. Ook een bemiddelingspoging van de burgemeester mislukt. Uiteindelijk verklaren de werkgevers zich bereid de cao te aanvaarden. Met 26 voor en 11 tegen besluiten de stakers op maandag 21 juli weer aan het werk te gaan.

- metaalbewerkers

Het pand op de hoek van Heerenstraat en Molenstraat is een broedplaats geweest voor beginnende metaalbedrijven. Het begon allemaal met ijzerhandel Mortier die het pand in 1911 bouwt om er een smederij te beginnen met de wel zeer beeldende naam IJzer en Staal. Mortier drijft er elf jaar de smederij totdat hij in 1922 overlijdt. De smederij wordt overgenomen door E.C. Viets. De firma Viets en Co. heeft niet alleen IJzer en Staal in bezit, maar ook de panden aan de overzijde van de straat. In de Molenstraat bevindt zich de fijn- en de grofsmederij en een showroom voor landbouwwerktuigen. In de Hoogstraat drijft Viets een winkel in ijzerwaren, fietsen, haarden, kinderwagens, sportkarren en wat er zo maar meer voor handen is.10 De overlevering wil dat deze firma de samenleving aan het woord fiets heeft geholpen. Twijfel hieraan is gerechtvaardigd, maar een feit is dat het bedrijf eind negentiende eeuw fietsen fabriceert. Om een verantwoord gebruik te stimuleren kan de geachte clientèle gebruik maken van de ‘Leerinrichting voor Wielrijden’ van het bedrijf.11
Van 1961 tot 1974 is het pand in gebruik bij constructiebedrijf H. Mathëus, die nu gevestigd is op de Grebbedijk. Wageningen is niet wat je noemt een ‘metaalstad’. Bekendste metaalbedrijf is ongetwijfeld Viets. Verder waren en zijn er enkele constructie en installatiebedrijven als Zeegers en Van der Weerd. Een goede naam als metaalbedrijf heeft ook machinefabriek Ledoux gevestigd aan de Boterstraat. Na de Tweede Wereldoorlog is het bedrijf verhuisd naar Dodewaard.
Op 10 maar 1913 is de afdeling Wageningen van de Algemeene Nederlandse Metaalbewerkersbond (ANMB) opgericht, met in 1920 32 leden. De Nederlandsche Rooms-Katholieke Metaalbewerkersbond ‘St. Eloy’ afdeling Wageningen stamt uit 1920 in welk jaar ze 13 leden telt.
Het ernstigste conflict in de metaal in Wageningen doet zich voor in oktober 1919. Bij vier loodgietersbedrijven wordt door 14 werknemers 17 dagen gestaakt om voor elkaar te krijgen dat hun patroon de cao behoorlijk naleeft. De staking heeft voor de werknemers een positief einde.

- Berend van den Berg

Berend van den Berg is op 18 maart 1912 geboren in Wageningen. Na de lagere school wordt hij opgeleid tot smid/machinebankwerker aan de ambachtsschool en vervolgt hij zijn opleiding aan de avond-vaktekenschool, de lasschool en de vliegschool. Hij verwerft daar de diploma’s: werktuigkundig tekenaar, autogeenlasser en ñsnijder en mecanicien. Na zijn opleiding begint hij een zwervend bestaan bij een groot aantal metaalbedrijven in de regio. Onder meer als monteur bij Stokvis in Arnhem, machinebankwerker bij de Edese Machinefabriek, Enka te Ede, Hevea te Oosterbeek en Frisia in Veenendaal. In 1930 wordt Van den Berg lid van de Algemene Nederlandse Metaalbewerkersbond (ANMB) afdeling Wageningen. Als actief en bewust sporter is hij lid van de Nederlandse Arbeiders Sportbond (NASB). Zijn opstelling in de afdeling Wageningen van de NASB bezorgt hem eerst de functie van penningmeester van de afdeling en vervolgens die van secretaris-penningmeester voor het district Gelderland. De metaalvakman, die Van den Berg is, werkt van 1938 tot 1949 bij de Hollandse Signaal Apparatenfabriek in Hengelo (O). Gedurende de Tweede Wereldoorlog is Van den Berg actief in de BS (Binnenlandse Strijdkrachten). Hij komt zonder ernstige problemen door de oorlog heen, omdat hij steeds op tijd gewaarschuwd voor gevaar, veilig kan onderduiken.
Op 1 augustus 1949 treedt hij in dienst van de ANMB als bestuurder met als standplaats Schiedam.12 Enige jaren later wordt Van den Berg overgeplaatst naar het district Gelderland met als standplaats Arnhem. De afdeling Wageningen van de ANMB valt binnen zijn werkterrein. In Gelderland groeit hij uit tot een kundig en gezien bestuurder en dat levert hem na een aantal jaren de benoeming tot districtshoofd op. In deze functie blijft hij werkzaam tot aan zijn pensioen in 1975.

- spoorwegarbeiders

Tot 1845 kan men Wageningen bereiken met de diligence van Van Gend en Loos. In dat jaar komt het spoor van Utrecht naar Arnhem tot stand met een station te Ede. Van Gend en Loos ziet geen heil meer in haar dienst van Arnhem naar Utrecht en beëindigt deze. Wageningen zit nu een aantal jaren zonder openbaar vervoer totdat de stalhouders Roos en Steuk in 1862 een tweemaal daagse dienst tussen Wageningen en het station in Ede openen, alsook een dienst met een diligence naar Arnhem.13 Aan het eind van de negentiende eeuw neemt het openbaar vervoer toe. Hotel de Wereld wordt in 1883 de halteplaats voor de omnibus naar Rhenen. Twee jaar later eindigt bij hetzelfde hotel het traject van de tramweg Wageningen ñ Oosterbeek van de Ooster Stoomtram Maatschappij (O.S.M.), die weer twee jaar later uitbreiding krijgt met het baanvak Wageningen ñ Rhenen. Vanaf 1910 wordt langzaam maar zeker de stoomtractie vervangen door motorwagens. In 1922 wordt de tram elektrisch. In 1927 wordt de O.S.M. overgenomen door de Nederlandsche Buurtspoorweg-Maatschappij (NBM).14
In 1889 wordt op initiatief van Frans Oudens, stationschef te Arnemuiden, de Nederlandsche Bond van Spoor- en Tramwegpersoneel ‘Steeds Voorwaarts’ opgericht, die gemeenlijk SV wordt genoemd. De vereniging handelt zeer omzichtig, zowel de leden als de afdelingen zijn geheim. Na een jaar zijn er 800 leden die alleen bekend zijn onder een nummer. In 1891 geeft de bond een ‘grievencahier’ uit, waarin verslag wordt gedaan van de misstanden bij de spoorwegen. De SV komt terecht in de discussie tussen ‘parlementairen’ en ‘antiparlementairen’. De laatsten behalen op de algemene vergadering van de bond in 1895 de meerderheid. In datzelfde jaar komt er in Wageningen een Spoorwegpersoneelsvereeniging tot stand, die een afdeling is van de SV. De socialistische afkomst van de SV is een rem op de ledenwerving terwijl de sociaal-democratisch gezinde leden de bond vanwege haar antiparlementaire standpunt verlaten. De afdeling Utrecht doet dat zelfs in zijn geheel. In 1898 is de SV vrijwel geheel ter ziele.
De Nederlandsche Vereeniging van Spoor- en Tramwegpersoneel (NV), die in 1920 in Wageningen een afdeling heeft met 18 leden, is opgericht in 1886. Aanvankelijk is het een vereniging van spoorwegambtenaren die zich beperkt tot Amsterdam. Vanaf 1892 begint de bond zijn vleugels uit te slaan en ontstaan er ook elders in het land afdelingen. Het is vooral Jan Oudegeest, de latere voorzitter van het NVV, gesteund door Frans Oudens, die zijn geesteskind de SV heeft verwisseld voor de NV, die de vereniging omvormt tot een bond die zich actief bezighoudt met de belangen van het spoorwegpersoneel. De koersverandering betekent dat vele oud-leden van de SV toetreden tot de NV. Het is derhalve mogelijk dat de afdeling Wageningen van de NV een personele voortzetting is van de SV.
Als in 1936 bekend wordt dat de tramlijn Rhenen-Arnhem wordt opgeheven voeren de bonden van spoor- en tramwegpersoneel actie om de tramlijn en daarmee de werkgelegenheid van het trampersoneel te behouden. In een petitionnement tekenen 11.817 mensen een verzoekschrift met de verklaring dat ze voor het behoud van de tramlijn bereid zijn meer te betalen.15 Alle moeite is tevergeefs. De tram wordt in 1937, nog maar zo’n vijftig jaar oud, opgeheven en vervangen door een busdienst.16 Wel blijft er tot 1968 een goederenspoor bestaan tot de kolenlosplaats en mouterij Nederland aan de Churchilweg. In 1954 wordt er nog een nieuw emplacement met vier sporen aangelegd op het terrein van de mouterij.17

- bootwerkers

De haven is een object die door de eeuwen heen de gemeente de nodige kopzorgen bezorgt. De oorsprong van de haven is een strang die uitwatert in de Rijn. In 1739 is het eerste bedrijf dat zich aan de haven vestigt een scheepswerfje. Aan het eind van de Franse tijd is de haven vrijwel uitsluitend in gebruik voor het lossen en laden van goederen voor de stad zelf en als vluchthaven. In 1840 wordt de haven verbeterd. De scheepvaart neemt daarna wat toe en de scheepswerf krijgt wat meer emplooi. Er komt zelfs enige industrie in de vorm van een zeepziederij. De ontwikkeling van de haven stagneert opnieuw met de opkomst van stoomschepen. In 1886 wordt de haven opnieuw verbeterd, zodat er ook stoomschepen kunnen worden ontvangen. Het kanaal wordt verbreed en de kom vergroot. Er komen gemetselde beschoeiingen, bredere en hogere kades en loswallen. Voortaan is er ook handel en overslag van graan en zand. Zowel in 1927 als in 1965 wordt de haven nogmaals verbeterd en vergroot.18 Aan het eind van de vorige eeuw wordt de kom aangepast om grotere schepen te kunnen ontvangen en er wordt een nieuw industrieterrein aangelegd. De haven vervult een rol in het vervoer van goederen en personen. Nog tot in de 20e eeuw is er een bootdienst tussen Wageningen en Arnhem.19
Rijnzate-Betuco is met haar ruim vijftig personeelsleden goed voor de helft van de directe werkgelegenheid in de Wageningse haven. Rijnzate is in 1977 ontstaan uit een fusie tussen de Bennekomse coöperatie Landbouwbelang, opgericht in 1901 en De Klomp uit Veenendaal. In 1988 volgt een fusie tussen Rijnzate en Betuco. Enkele jaren later volgt nog een fusie met De Vallei uit Barneveld en ontstaat de coöperatie ‘Rijnvallei’. Dochter bedrijf Rijnzate is een overslagbedrijf voor veevoedergrondstoffen, dat al sinds 1935 gevestigd is aan de Wageningse haven. In 1992 wordt het naastgelegen overslagbedrijf Granaria overgenomen. In de Wageningse haven, wordt in de jaren rond 1995 600.000 ton graan en veevoeder overgeslagen, naast 500.000 ton zand, grind en andere producten. Wageningen kan zich beroemen de grootste overslag haven te zijn tussen Rotterdam en Duisburg.20
Op 9 september 1906 komt er een Graandragersvereeniging tot stand. Het is een zelfstandige vakorganisatie die in ieder geval bij oprichting bij geen enkele landelijk verbond is aangesloten. Of dat later wel is gebeurd en ze als zodanig gezien kan worden als voorloper van de afdeling Wageningen van de Centrale Bond van Transportarbeiders is ons niet bekend.

- voeding- en genotmiddelen

In 1920 kent Wageningen één bond voor werknemers in de agrarische en aanverwante bedrijfstakken: de Nederlandsche Bond van Arbeiders in het Landbouw-, Tuinbouw- en Zuivelbedrijf. De afdeling Wageningen van deze bond telt 19 leden. De leden van deze bond werken bij de in 1898 geopende Wageningse stoomzuivelfabriek ‘De Hoop’, de latere Concordia aan de huidige Churchilweg.21 Het gemeentelijke slachthuis aan de Pabstendam wordt geopend op 18 juli 1927. Dat de gemeente tot een slachthuis is gekomen, heeft alles te maken met hygiëne van voedingsmiddelen en het toezicht op het slachten van vee. Om dezelfde reden is een kleine tien jaar eerder de Vleeskeuringsdienst opgericht. Tot die tijd wordt door het vildersbedrijf zonder schroom ook vlees van dode dieren in de handel gebracht.22 Het slachthuis zal tot 1966 in bedrijf blijven.23

- brouwersgezellen

Het werken op de mouterij is berucht. Het weken, kiemen en eesten van de gerst vergt zware fysieke inspanning, terwijl het vele water dat wordt gebruikt de arbeidsomstandigheden niet ten goede komt. De brouwerij start haar activiteiten in 1864. Als het bedrijf in 1881 van eigenaar wisselt wordt het omgedoopt van ‘Wageningse bierbrouwerij’ tot ‘Stoombierbrouwerij Germania’. Over de geschiedenis van het bedrijf is weinig bekend. De eigenaar gaf geen inlichtingen aan officiële instanties en het bedrijfsarchief is tijdens de oorlogsjaren verloren gegaan.24
De organisatie onder de bierbrouwersgezellen komt eerst opgang in 1899 als de Amsterdamse gezellen zich aaneensluiten in ‘Eendracht Maakt Macht’. Nadat in 1902 ook de Rotterdamse en Hengelose (O) brouwersgezellen zich organiseren kan in 1903 de Algemeene Nederlandsche Bierbrouwersgezellen Bond tot stand komen. Al spoedig sluiten zich ook werknemers aan die werkzaam zijn bij likeurstokerijen en mineraalwaterfabrieken. De bond waarvan de naam wordt gewijzigd in Bond van Werklieden in Alcoholhoudende en Alcoholvrije Dranken, sluit zich 1906 aan bij het NVV. Naar we aannemen sluiten ook de werknemers van Germania zich in dat zelfde jaar aan bij de bond en wordt er een correspondentschap te Wageningen opgericht. Een correspondentschap is een voorziening voor die plaatsen waar te weinig leden zijn om een afdeling tot stand te brengen. Germania stelt de aanwezigheid van de bond niet op prijs en ontslaat de correspondent. Het gehele personeel, zes man sterk, gaat daarop in staking met als hoofdeis het ongedaan maken van het ontslag. En passant wordt er een looneis gesteld. De reactie van het bedrijf is: ontslag van alle stakers. De staking duurt 12 dagen en kan worden beëindigd met een overwinning. Alle ontslagen worden ingetrokken en er komt een loonsverhoging. Bijzonder is dat gebruik wordt gemaakt van een consumentenboykot.25
Bij Germania is in 1907 de werkdag 11 uur, driemaal onderbroken door een schaft. De dagverdeling is van 6 tot 8.30 uur, 9 tot 12 uur en 13.30 tot 19.00 uur. Regelmatig komt er nog een uurtje overwerk bij. Één man werkt gedurende 300 nachten 11 uur, terwijl afwisselend de werknemers ook op zondag werken.26
De brouwerij gaat in 1907 failliet en wordt omgebouwd tot mouterij. In 1909 wordt na verkoop de naam Germania geschrapt en wordt het Mouterij ‘Nederland’.27
De Bond van Werklieden in Alcoholhoudende en Alcoholvrije Dranken gaat in 1918 op in de Nederlandsche Vereeniging van Fabrieksarbeiders (NVvFA), waar acht jaar later ook de steenfabrieksarbeiders in terecht komen.28 De NVvFA afdeling Wageningen heeft in 1932 231 leden.29
Na bijna een eeuw (2004) is er weer een ‘Wagenings bier’, met als merknaam ‘Ons Bier’, op de markt gekomen. Ons Bier is een stevige tripel uit gerst verbouwd van onder meer de Wageningse Enk. Het malen van het gerst vindt plaats bij Windmolen de Vlijt en het mouten bij de Wageningse Exportmouterij. Het brouwen moet buiten Wageningen plaatsvinden bij de Maaslandbrouwerij te Oss.

- leerlooiers

Aan wat nu Stationsstraat heet is sinds 1841 de leerlooierij van de gebroeders Roes gevestigd. Reeds in de zeventiende eeuw wordt het looiersbedrijf uitgeoefend aan de stadsgracht ten noorden van de Bergpoort. Het is slechts een klein bedrijf met waarschijnlijk niet meer dan een enkele looikuip. Op een steenworp afstand van deze ñinmiddels opgeheven – looierij sticht Steven Roes in 1841 zijn looierij. Het bedrijf groeit in enkele tientallen jaren uit tot een grote looierij met in 1885 14 werknemers en 64 looikuipen.30 Het bij het looien benodigde eikenschors of run komt van de molen ‘De Ooievaar’ aan de huidige Generaal Foulkesweg. Gedurende de negentiende eeuw gaat het goed met de looierij. Eerst bouwt Roes een herenhuis voor zichzelf, om daarna ñ in 1880 – aan het Spijk een achttal arbeiderswoningen te laten bouwen. Het is een middel om goed personeel van buiten de gemeente te kunnen werven. Er is woningnood en met een lage huur kan de werkgever concurreren op de arbeidsmarkt. Natuurlijk is het mooi meegenomen dat onroerend goed ook een goede belegging is.
In de eerste decennia van de twintigste eeuw bloeit het bedrijf. In 1918 wordt de top bereikt met 79 werklieden. Daarna gaat het minder met de in 1916 naamloos geworden vennootschap, de NV Wageningse Lederfabriek v/h J.B. Roes en Zonen. Het bedrijf raakt steeds verder verzeild in een economische crisis en gaat tenslotte in 1931 door faillissement ten onder.
De werknemers zijn georganiseerd bij de Nederlandsche Vereeniging van Fabrieksarbeiders (NVvFA) die sinds 1918 een afdeling heeft te Wageningen en in de Nederlandsche Rooms-Katholieke Fabrieksarbeidersbond ‘St. Willibrordus’ die in 1920 een afdeling in Wageningen telt met 38 leden.

- wasserijpersoneel

De vrouw en dochters van Van Druten, een sigarenmaker, hebben een bijverdienste door voor anderen te wassen. Dat doen ze met succes en al spoedig moet er een hulp bijkomen en ook Van Druten zelf gaat zich met de wasserij bemoeien. De klanten worden met hondenkar en kruiwagen bediend. In 1910 vestigen ze zich aan de Heerenstraat, waar opzij van het huis een wasserijtje wordt ingericht. Voor uitbreiding vinden in de jaren twintig enige verbouwingen plaats. In 1937 komt er een heuse stoomketel met een hoge schoorsteen die er tot 1986 heeft gestaan. Ook na de Tweede Wereldoorlog groeit het bedrijf verder en rond 1968 werken er zo’n veertig mensen. In 1970 stopt het bedrijf omdat de eigenaar er geen heil inziet zijn erfgenaam met het bedrijf op te zadelen. De bedrijfspanden worden, na nog een aantal jaren verhuurd te zijn, in 1992 gesloopt ten behoeve van de stadsvernieuwing.31
In 1930 zijn er naast van Druten nog een drietal wasserijen in Wageningen. Gezamenlijk hebben zij 87 mensen in dienst. Bij wasserij Hoogstede doet zich in 1934 een korte staking voor. Werknemers in het wasserijbedrijf hebben als organisatie de Nederlandsche Vereeniging van Fabrieksarbeiders die, zoals we al eerder zagen een afdeling heeft in Wageningen. In wasserijen is het vaak het probleem dat er een slechte administratie is en er met regelmaat van de klok problemen zijn met de loonbetaling. Vaak gaat het dan om niet uitbetaalde overwerkvergoedingen of andere toeslagen. De 17 werknemers van Hoogstede zijn dat op een gegeven moment beu en leggen het werk neer. Een lange staking wordt het niet. Al na en halve dag blijkt het bedrijf in staat op een juiste manier te kunnen betalen.

- winkelpersoneel

Het winkelpersoneel werkzaam in de detailhandel heeft in Wageningen de keus tussen twee bonden die in 1920 in Wageningen een afdeling hebben en wel: de Algemeene Nederlandsche Bond van Handels- en Kantoorbedienden (De Algemeene) en de Nederlandsche Rooms-Katholieke Bond van Handels- en Kantoorbedienden ‘St. Franciscus van Assisie’.
Volgens de statistiek heeft bij Van Straelen in februari 1946 het negenkoppige personeel een dag gestaakt. Helaas vertelt de statistiek niets over de aard van het conflict. Staken is natuurlijk sowieso niet iets wat je als winkelpersoneel makkelijk doet. De detailhandel leent zich daar ook minder voor. De sfeer in de veelal kleine bedrijven met weinig personeel is toch te patriarchaal. ‘Baas en knecht’ staan te dicht bij elkaar in het werk. Scherpe tegenstellingen passen daar niet bij, ook al zijn de arbeidsomstandigheden vaak niet om over naar huis te schrijven.
De arbeidsverhoudingen veranderen met de komst van het grootwinkelbedrijf. Supermarktketens zorgen ervoor dat werknemers de ‘baas’ hooguit kennen van de tv. De afstand tussen personeel en werkgever is net zo groot geworden als in vele industriële ondernemingen. Dat, ook al is er sprake van ‘industriële verhoudingen’, een staking uitroepen nog niet zo gemakkelijk is bewijst de verloren staking in 1995 bij een aantal grootgrutters. De ondernemers in het supermarktwezen (175.000 werknemers) willen de openingstijden van hun winkels meer flexibel maken. Echter avondwerk is overwerk en kost dus meer aan loon en dat past niet als je op de kleintjes wil letten. De oplossing voor de werkgevers is simpel: de toeslag voor avondwerk afschaffen. De Dienstenbonden van FNV en CNV maken daar een punt van en roepen op tot staking bij vooral AH, EDAH en Dirk van den Broek. De vorm die wordt gekozen is die van de estafettestaking.
Op de eerste dag wordt bij vijf supermarkten in Rotterdam tot staking opgeroepen. Slechts bij één winkel is de staking volledig. Bij de andere winkels zijn nogal wat twijfelaars. Hetzelfde herhaalt zich op de tweede stakingsdag. Alleen een vestiging van AH in Leeuwarden gaat volledig dicht. Op de derde dag zijn een aantal winkels in de Achterhoek aan de beurt. Wageningen is op de vierde dag het toneel van de staking. In totaal zijn er tien actiedagen waaraan tussen de 500 en 600 werknemers deel nemen.32
De werkgevers geven geen duimbreed toe en zelfs het blokkeren van de kassa ‘s bij andere supermarkten in Rotterdam en omgeving, heeft geen resultaat. Op 6 juni worden de acties beëindigd. Het draagvlak voor acties is te smal om de plannen van de werkgevers te wijzigen. In het CAO-loze tijdperk dat volgt verlagen de ondernemers eenzijdig de toeslag. 

  1. D. Regeling, De stad der tegenstellingen. Een sociografie van Wageningen (Wageningen 1933) p. 148
  2. H. Peer, Kunstbroeders of meubelslaven. Uit de geschiedenis van de vakbeweging in de meubel- en houtsector (Amsterdam 2002) p. 6, 52
  3. S. van der Velden, Stakingen in Nederland 1810-1999 (Amsterdam 1999) (CD-rom)
  4. D. Regeling, De stad der tegenstellingen. Een sociografie van Wageningen (Wageningen 1933) p. 149
  5. De Timmerman. Van Den Alg:Ned: Timmerlieden Bond (Rotterdam 18 maart 1903)
  6. D. Regeling, De stad der tegenstellingen. Een sociografie van Wageningen (Wageningen 1933) p. 158
  7. A. Leusink, Op hechte fundamenten. Geschiedenis van de Algemene Nederlandse Bouwarbeidersbond (Amsterdam 1950) p. 20-21
  8. I.G. Keesing en J. v.d. Tempel, Arbeidersleven in Nederland (Amsterdam 1908) p. 100-102
  9. A. Leusink, Op hechte fundamenten. Geschiedenis van de Algemene Nederlandse Bouwarbeidersbond (Amsterdam 1950) p. 97
  10. L. Klep, Adres Wageningen. De geschiedenis van wageningen in 37 verhalen. (Wageningen 1992) p. 58
  11. J.M. Fuchs en G. Fiege, Wageningen 700 jaar stad (Wageningen 1963) p. 66-67
  12. L. Brug e.a., Organisatie in het ijzeren tijdperk. De ANMB gegevens van J.G. Sikkema toegelicht en aangevuld (Amsterdam 1995) p. 163
  13. A.W. van de Bunt, Wageningen/Rheden (Baarn 1969) p. 45
  14. A.L.Rietveld, A.G. Steenbergen, A.C. Zeven (red.), Gezicht op de geschiedenis van Wageningen : uitgegeven ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van de vereniging "Oud Wageningen" (Wageningen 1983) p. 64
  15. A.L.Rietveld, A.G. Steenbergen, A.C. Zeven (red.), Gezicht op de geschiedenis van Wageningen : uitgegeven ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van de vereniging "Oud Wageningen" (Wageningen 1983) p. 65
  16. L. Klep, Adres Wageningen. De geschiedenis van Wageningen in 37 verhalen. (Wageningen 1992) p. 14-15
  17. L. Klep, Adres Wageningen. De geschiedenis van Wageningen in 37 verhalen. (Wageningen 1992) p. 35
  18. A. Rietveld, De Rijnhaven (2002) CD-Rom t.b.v. Open Monumentdag
  19. J.M. Fuchs en G. Fiege, Wageningen 700 jaar stad (Wageningen 1963) p. 68
  20. L. Klep, Adres Wageningen. De geschiedenis van Wageningen in 37 verhalen. (Wageningen 1992) p. 17
  21. L. Klep, Adres Wageningen. De geschiedenis van Wageningen in 37 verhalen. (Wageningen 1992) p. 31 en K. Heijers, Fotoboek met ca. 300 oude foto’s, prenten en, prentbriefkaarten en tekeningen van Wageningen (Ochten z.j.) p. 39 en 56
  22. M. de Waal, Wageningen als woon- en studiestad (Wageningen 1928) p. 146
  23. L. Klep, Adres Wageningen. De geschiedenis van Wageningen in 37 verhalen. (Wageningen 1992) p. 31 en K. Heijers, Fotoboek met ca. 300 oude foto’s, prenten en, prentbriefkaarten en tekeningen van Wageningen (Ochten z.j.) p. 39 en 56
  24. L. Klep, Adres Wageningen. De geschiedenis van wageningen in 37 verhalen. (Wageningen 1992) p. 34-35
  25. S. van der Velden, Stakingen in Nederland 1810-1999 (Amsterdam 1999) (CD-rom)
  26. I.G. Keesing en J. v.d. Tempel, Arbeidersleven in Nederland (Amsterdam 1908) p. 7-10
  27. L. Klep, Adres Wageningen. De geschiedenis van wageningen in 37 verhalen. (Wageningen 1992) p. 34-35
  28. K. de Jonge, L. Ebeling en V. v.d. Berg, 1907-1957 Vijftig jaren NVvFA-ABC (Amsterdam 1957) p. 68-72
  29. D. Regeling, De stad der tegenstellingen. Een sociografie van Wageningen (Wageningen 1933) p. 149
  30. C.D. Gast en M.E. de Ruiter, Van kasteel tot villawijk, van melkpad tot woonbuurt. Geschiedenis van het Bowlespark en van ‘de leerlooiershuisjes’ aan het Spijk. (Wageningen 1994) p. 45-46
  31. L. Klep, Adres Wageningen. De geschiedenis van Wageningen in 37 verhalen. (Wageningen 1992) p. 48-49, 55
  32. S. van der Velden, Stakingen in Nederland 1810-1999 (Amsterdam 1999) (CD-rom)