Vergersweg 22- 24, 6707 HT Wageningen T: 0317- 416090

Wageningen

- de groei van een groene-kennisstad

Het aanzien van Wageningen wordt voor een belangrijk deel bepaalt door de aanwezigheid van onderwijs- en onderzoekinstellingen op het gebied van agro- en ecokennis. De stichting Kennisstad Wageningen (KSW) waarin onderzoek- en onderwijsinstellingen, provincie, gemeente en bedrijfsleven samenwerken heeft tot doel het imago van Wageningen als groene kennisstad te versterken. Maar Wageningen is meer dan alleen een stad waar je kunt studeren. Naast het netwerk van onderwijs, onderzoek en kennisintensieve bedrijvigheid is er een hoog voorzieningenniveau. De binnenstad is een ontmoetingsplek voor winkelend en uitgaand publiek.
Wageningen heeft slechts een beperkt grondgebied en de stad heeft in belangrijke mate zijn grenzen bereikt. Uitbreiding voor wonen of werken is vooral nog mogelijk door ‘inbreiding’ terwijl uitbreiding buiten de bebouwde kom slechts beperkt kan plaatsvinden. Hoe belangrijk de Wageningse Universiteit en Research (WUR) in Wageningen is blijkt uit de overeenkomst tussen gemeente en WUR in 2003 om 40 hectare grond van de WUR te gaan ontwikkelen. Op de voormalige proefvelden kunnen honderden huizen worden gebouwd. Met het uitgegeven van de grond wordt in 2006 een start gemaakt. De WUR besteedt de opbrengsten aan de verdere ontwikkeling van haar ‘kennisdorp’ De Born.1 De overeenkomst tussen gemeente en WUR is een typisch voorbeeld van een win-win situatie.
Wageningen, wat zoveel schijnt te betekenen als ‘nederzetting aan stilstaand water’, wordt al in de steentijd bewoond.2 Er zijn overblijfselen uit de Romeinse en de Frankische tijd aangetroffen. Al in de Middeleeuwen is Wageningen een plaats van betekenis. Stadsrechten worden in 1263 toegekend.3 Toch moet over de omvang van de plaats geen al te grote voorstelling worden gemaakt. Gedurende de 16e en 17e eeuw telt Wageningen niet veel meer dan 800 inwoners. Eerst in het midden van de 18e eeuw zien we enige bevolkingsgroei. De 19e eeuw wordt betreden met circa 1.400 ingezetenen.4 Gedurende de 19e eeuw groeit Wageningen stevig. In het midden van de eeuw overschrijdt de gemeente het aantal van 5.000 inwoners. Daarvan woont veertig procent in de stad.5
Begin twintigste eeuw telt de gemeente zo’n 9.000 inwoners. De beroepsbevolking bestaat uit: keuterboeren, landarbeiders, steenfabriekarbeiders, sigarenmakers en winkelliertjes. Welvarend is de stad niet ondanks, of misschien wel dankzij, de aanwezigheid van de steen- en sigarenindustrie.
De bevolking vertienvoudigd na 1800 tot 14.000 zielen in 1937 De groei zet nu stevig door de bevolking verdubbelt nog eens in minder dan veertig jaar. In 1973 is het inwonertal 28.140. Na de millenniumwisseling neigt de omvang van de bevolking naar 35.000 (34.745 op 1 januari 2003).
De bevolking van Wageningen is overwegend hervormd van gezindte. In 1859 zijn circa 4.000 ó ruim 75% – van de ruim 5.200 inwoners lidmaten van de Nederlands Hervormde kerk. De Rooms Katholieke kerk kan rond de 1.100 inwoners tot haar aanhang rekenen, ofwel zo’n 21%. In 1930 behoort 54% tot de Hervormde kerk. De R.K.-kerk doet het nog steeds met een aandeel van 21% en is daarmee omvangrijker dan het aantal buitenkerkelijke (14%).6
Veertig jaar later is de aanhang van de R.K.-kerk qua aandeel nog ongeveer gelijk, maar die van de Hervormde kerk verder gedaald tot 36%. De buitenkerkelijke vormen nu de tweede groep met een aandeel van ruim 26%.7

- middelen van bestaan

Gedurende eeuwen vertoont Wageningen het beeld van een stadje, bewoond door enige handswerklieden, door boeren en enkele landeigenaren. Door de compacte bouw en door de bestuurlijke inrichting vertoont de plaats stedelijke kenmerken. In het midden van de 17e eeuw neemt de tabak de eerste plaats in. Het grootste deel van de bevolking is direct bij de verbouw betrokken als bewerker of eigenaar van de grond. De bloeiende handel in tabak levert belangrijke inkomsten op voor de stedelijke kas. Neringen en ambachten spelen slechts een ondergeschikte rol. Er bestaan slechts twee gilden. Het kramersgilde omvat ook de enkele ambachtslieden, zoals de smeden en een zadelmaker, die de stad telt. De leden van het snijdersgilde moeten een zware strijd voeren om het hoofd boven water te houden. De welvaart van de stad is in hoge mate afhankelijk van de tabak. Het opdrogen van deze bestaansbron in de Franse tijd betekent armoede en ellende. In de loop van de 19e eeuw verandert aan deze situatie maar weinig. Landbouw en veeteelt zijn de hoofdbronnen van bestaan, de tabak blijft het hoofdproduct en de handel daarin praktisch de enige handel die de stad kent. De plaatselijke handel op week- en jaarmarkten is van geringe betekenis.8
Voor de aanvang van de 19e eeuw is er in Wageningen geen nijverheid die produceert voor een ruimere markt dan de stad zelf. Uit een brief van de burgemeester van Wageningen aan de Gouverneur van de provincie Gelderland in 1817 krijgen we een overzicht van de werkgelegenheid die de nijverheid biedt. In de oliemolens werken vier mensen. In de houtzaagmolen en de runmolen elk twee werknemers evenals in de touwslagerij. Verder twee leerlooiers, twee hoedenmakers, twee wevers en twee kuipers. Verder zijn er nog enige bouwvakkers, een loodgieter, een zadelmaker, een smid, een aantal kleermakers en schoenmakers en ten slotte 140 landarbeiders. Al met al omvat de nijverheid hooguit veertig arbeidsplaatsen. De brief verschaft ook enig inzicht in de daglonen. De bouwvakkers worden het beste betaald. Zij verdienen 80 cent per dag. De wevers en de kuipers zijn het slechts af, zij moeten het doen met de helft. In 1819 is er ook nog sprake van een pottenfabriek, maar die is van weinig betekenis.9

- enige industrialisatie

Wageningen ten westen van Arnhem aan de Rijn gelegen houdt zich in het midden van de 19e eeuw voornamelijk bezig met landbouw, tabaksteelt, vervaardigen van stenen, pannen en Keuls aardewerk, leerlooierij10 en zeepziederij11. In 1851 werken er bij de twee steenfabrieken 80, bij de twee pannenfabrieken 51 en bij de pottenfabriek 13 werknemers. De leerlooierij kent acht werknemers en de vier sigarenfabrieken gezamenlijk circa twintig. Over de werkgelegenheid bij de zeepziederij ontbreekt het ons verder aan informatie. In pakweg 30 jaar is de werkgelegenheid in de nijverheid gegroeid van circa 40 tot ruim 170 werknemers. Aan de hoogte van de lonen is niet veel veranderd. De hoogst betaalden komen aan een gulden per dag, maar de meeste moeten het doen met een dagloon van 40 tot 60 cent.12
In 1860 houdt de Gelderse Maatschappij van Landbouw haar provinciale tentoonstelling in Wageningen, die zowel door ingezetenen als door vreemdelingen wordt bezocht. Uit het overzicht van de tentoonstelling komen we het volgende te weten. De twee boekdrukkerijen die de stad telt floreren, terwijl naar het wekelijkse Nieuws- en Advertentieblad wordt uitgekeken zowel in als buiten de stad. Er is een voor die tijd voldoende aanbod van onderwijs. Er is gewoon lager, uitgebreid lager en middelbaar onderwijs. Naast de Latijnse school, twee instituten voor jonge heren, een instituut voor jonge juffrouwen treffen we de stads-, kost- en dagschool aan. Daarnaast zijn er een stadsburgerschool, een stadsarmenschool, een diaconieschool voor hervormden en een stads- en een particuliere bewaarschool. De sigarenfabriek ‘La Industria’ verschaft aan veel werknemers werk. Er zijn twee steen- en panovens, een pottenfabriek, een leerlooierij, twee touwslagerijen, twee windkorenmolens, een stoomkorenmolen, een scheepstimmerwerf en een likeurstokerij.13 Tussen 1876 en 1881 beëindigen de pottenbakkerij, de touwslagerijen en de likeurstokerij hun activiteiten.14 De Rijnhaven is goed geoutilleerd en de wekelijkse warenmarkt (woensdagmorgen) heeft een streekfunctie.15

- centrum van onderwijs

Door de komst van de Rijkslandbouwschool in 1876 zal Wageningen uitgroeien tot een onderwijs- en dienstencentrum. Er ontstaat een geheel eigen ‘arbeidsmarktstructuur’ afwijkend van die in de regio. In 1973 telt het tot Landbouwuniversiteit omgedoopte instituut ca. 3.500 studenten en is het het grootste agrarisch-wetenschappelijk centrum van Europa met tal van autonome researchinstituten. Bekend zijn beide botanische tuinen: het Arboretum ‘De Dreijen’ en het Belmonte-Arboretum. In de gemeente zijn verder de Stichting voor Bodemkartering en het Nederlands Scheepsbouwkundig Proefstation gevestigd. Er is een HBO-opleiding voor huishoudkunde en een bakkersvakschool die later een MBO-opleiding voor de horeca zal worden.
Van de beroepsbevolking is in 1960 3% werkzaam in de landbouw, 37% in de industrie, 60% in de dienstensector. De gemeente Wageningen is niet volledig ‘zelfvoorzienend’ in werkgelegenheid. In 1971 vindt ruim 26% van de beroepsbevolking buiten de gemeente werk.
In 2001 is meer dan de helft van de beroepsbevolking werkzaam in de kennissector. Qua leeftijdsopbouw, opleiding en sociaal culturele interesse heeft Wageningen een bijzondere bevolkingssamenstelling. Eén op de vijf inwoners is student. De bijzondere bevolkingsopbouw komt ook tot uiting in het woningbestand van Wageningen. De gemeente telt per 1 januari 2003 12.481 woningen. Daarnaast zijn er nog 4.847 wooneenheden voor studentenhuisvesting.
 

  1. R. van Rijnbeek, ‘Wageningen UR en gemeente werken aan ‘science park” in: De Gelderlander (3 juli 2003)
  2. B.H. Slicher van Bath, ‘De naam Wageningen in verband met de oudste geschiedenis van deze stad’ in: Bijdragen en mededelingen van de Vereniging Gelre (Arnhem 1940) Deel XLIII p. 155-158
  3. H.W.J. Volmuller, Nijhoffs Geschiedenislexicon (‘s-Gravenhage 1981) p. 611
  4. P. Lourens en J. Lucassen, Inwonertallen van Nederlandse steden ca. 1300-1800 (Amsterdam 1997) p. 27
  5. G. van Dolderen, Langs de Rijn van Arnhem tot Rhenen (Zaltbommel 1983) p. 112
  6. Winkler Prins Algemeene Encyclopaedie (Amsterdam 19385) 16e deel p. 303
  7. Grote Winkler Prins (Amsterdam 19387) 19e deel p. 620
  8. D. Regeling, De stad der tegenstellingen. Een sociografie van Wageningen (Wageningen 1933) p. 21-23
  9. D. Regeling, De stad der tegenstellingen. Een sociografie van Wageningen (Wageningen 1933) p. 67
  10. A. Winkler Prins, Geïllustreerde Encyclopædie. Woordenboek voor wetenschap en kunst, beschaving en nijverheid (Amsterdam 18872) 14e deel p. 742
  11. R. Wartena, Statistieke beschrijving van de steden en het platteland van Gelderland uit 1808 (Arnhem 1986) p. 75. Winkler Prins deelt in zijn Encyclopedie van 1887 mee dat er een zoutziederij is te Wageningen. In de statistiek van 1808 is er sprake van een rosoliemolen annex zeepziederij. Olie waaruit zeep wordt vervaardigd is een logische combinatie. Het is mogelijk dat de zeepziederij later ook als zoutziederij wordt gebruikt. Echter Winkler Prins doet geen opgaaf van een zeepziederij. Aangezien andere bronnen niet spreken over een zoutziederij in Wageningen, de statistiek van 1826 noemt slechts Tiel en Nijmegen, is het meest aannemelijk dat Winkler Prins zich heeft vergist en voor zeepziederij een zoutziederij heeft opgegeven.
  12. D. Regeling, De stad der tegenstellingen. Een sociografie van Wageningen (Wageningen 1933) p. 68
  13. G. Goossen Jzn., Geschiedenis van Wageningen (19772) p. 72
  14. De gemeente Wageningen: welvaartsbronnen en ontwikkelingsmogelijkheden (Arnhem 1954) p. 8
  15. ‘Wageningen’ in: Encarta 98 Encyclopedie Winkler Prins Editie 1993-1997